De laatste 5 weken in Australië: Outback en Westkust

May 11th, 2008



Proloog

Gevuld met bloemkool en aardappelen en verpakt in een
meervoud van kledinglagen luister ik naar de regen die me al dagen daverend
welkom heet. Ik heb voor het eerst in tijden weer in het Nederlands gedroomd,
beklim de trappen weer aan de rechterkant en beweeg me weer onopvallend door de
drukte van onbeleefde landgenoten.

Het is geen eenvoudige ruil; een continent van
natuurwonderen en avontuur tegen een vergrijzende grijsheid van wat je altijd
al gewend was, maar ik zal het er mee moeten doen. Over een paar weken zal het
zijn alsof ik nooit ben weggeweest. Mijn bruine huid weer bleek, mijn beleving
van afstand en reistijd weer ongerelativeerd en mijn gedachten weer bij
serieuzere zaken. Gelukkig hebben we altijd de foto’s en de verhalen nog. Verhalen
zoals deze, over mijn laatste vijf weken in Australië waarin ik zowel het binnenland
als de westkust heb verkend.

 

Reflecties in de lucht

Het is zondag 30 september, bijna maandag. Ik ben behoorlijk
moe. De laatste weken draaiden volledig rond mijn stage en gestreste dagen van
tien of elf uur werken waren meer regel dan uitzondering. Over het resultaat
kan ik toch niet ontevreden zijn. Het verslag nog wel niet helemaal af, maar
minder dan één week werk resteert.

Toch verklaart dit de moeheid niet helemaal. De oorzaak ligt
meer in de postalcoholische sferen, na de kleine afscheidsreceptie van
gisteren. Het was gezellig; dinertje gekookt voor Miz en Saira, paar flesjes
wijn erbij, laatste babbeltjes met huisgenoot Gautam en nog een keer de stad
in.

Misschien moest ik toch maar wat uitrusten… Maar op dat
moment wordt de landing ingezet. In het verschiet ligt een korte nacht in een
heet hostel die wat betreft nachtrust niet overtroffen zal worden in de komende
maand. Ik land in Darwin, het is net na middernacht en het kwik kleeft nog
steeds boven het streepje van de 30 graden.

 

Darwin

Rond een uur of acht word ik wakker. Het is inmiddels vier
keer zo warm als dat het laat is en vanaf dit moment heb ik haast. Het is 1
oktober en over 30 dagen vlieg ik weer naar Nederland. In de tussentijd heb ik
aardig wat kilometers af te leggen.

Met Nicholas, een Duitse kamergenoot met de zelfde smaak in
vliegtuigen als ik stap ik vol goede moed de kamer uit en Darwin in. Darwin is
de hoofdstad van the Northern Territory en dat deze bruisende metropool slechts
80000 inwoners telt geeft al een aardige eerste indruk van de rest van het
territorium.

Na een uur of wat lopen verlies ik vriend Nicholas aan een
geval van acute luiheid. Alleen loop ik verder. Darwin is best uitgestrekt en
voordat ik bij een fatsoenlijk strand kom ben ik kilometers verder. Het strand
blijkt dan ook nog eens niet te zijn wat mij op de ansichtkaarten is beloofd.
Een modderpoel bezaaid met zeilboten ligt tussen mij en de Timor Sea. Een
bijzonder zicht, veroorzaakt door de grootste tijschommeling van het jaar: 12
meter.

Na een museumbezoekje en een prima lunch besluit ik weer
terug te lopen; een bijzonder saaie wandeling van anderhalf uur langs een
ongezellige weg, terwijl de brandende zon mijn T-shirt in tinten van bruin en
rood in mijn huid tatoeëert.

Wanneer ik mezelf na de dag lopen operatief van mijn
teenslippers en vochtverzadigd shirt verwijder, ben ik weinig enthousiast over
het tropenstadje. En hoewel ik na een koude douche, een after sun lotion
besprenkeling en een paar ijskoude pilsjes in de zwoele avonduren mijn mening
enigszins naar boven bijstel, verheug ik me al op de volgende dag, als ik de
‘grote stad’ inruil voor de bush.

 

Litchfield en Kakadu

Het is 6 uur in de ochtend en mijn telefoon verzoekt mij op
te staan. Ik pak snel mijn spullen en verruil het matige hostel voor een al
even matige stoep, met het verschil dat de mate van matigheid van de stoep niet
opvalt, daar alle stoepen middelmatig zijn, behalve natuurlijk hele grote
stoepen.

Ik word al snel van bovengenoemde stoep geplukt door een
vierwielaandrijfbaar busje van Adventure Tours. Clancy from Australia, de gids,
verlaat de bestuurdersstoel, doet een dappere poging mijn achternaam uit te
spreken en gooit mijn rugtas op het dak. Niet veel later verlaten wij Darwin.
Wij, in dit geval, zijn 15 toeristen en eerder genoemde gids. Er zijn Engelse,
Duitse, Vlaamse, Australische, Maleisische, Koreaanse en Zwitserse invloeden,
maar deze verbleken bij het aandeel Nederlanders in de groep. We zijn met zijn
zessen. Ik kan het bijna niet geloven, maar na drie keer tellen moet ik dit
feit toch accepteren.

 

Een paar uur later komen wij aan in Litchfield National
Park. Allereerst kijken we uit over Florence Falls; een uiterst sfeervol
ensemble van vallend water. Het aanschouwen van deze liquide oogtraktatie doet
ons verlangen naar afkoeling en al watertandend van vochtanticipatie dalen wij
in zwemkledij af.

Aan de voet van de waterval voegen we ons bij de talrijke
toeristcollega’s in het heldere, verkoelende water. Met de warme zon in het
gezicht, de discrete bulder van vallend water in de oren en de visjes
knabbelend aan de tenen is dit een sensatie waar wij best aan willen wennen.
Echter, het drukke programma laat geen tijd voor gewenning en spoedig zijn wij
op weg naar de volgende zwemattractie.

Deze is, als ik mij niet vergis, Buley Rock Holes; een hoogst
vriendelijk riviertje met hier en daar een watervalletje. In zo’n watervalletje
is het goed vertoeven met de kinetische energie van het water die je schouders
masseert, terwijl de gladde rotsen het achterwerk voorzien van tedere
ondersteuning. Wanneer je dan volledig onthaast bent van het korte
wandelingetje tussen het vorige en huidige paradijselijke plekje, kun je in een
vorm van veilige waaghalzerij vanaf een paar meter hoogte het water inspringen.

Intussen wordt er een klein rugbyballetje heen en weer
gegooid. Ik leg uit dat Nederlanders, zelfs na 8 maanden in Australië, niet aan
dergelijk misvormde sferoïden gewend zijn en bewijs dit experimenteel. Een aantal
instanties van hermafrodiete werptechniek later heb ik mijn medereizigers alle
hoeken van het ronde rotszwembad laten zien, hetzij door ze er naartoe te laten
zwemmen om de bal te apporteren. Ik houd vol dat de willekeur in koers
uitsluitend te wijden is aan de komische verschijning van het te werpen object
en verzwijg voor het gemak dat ik het niet veel beter zou doen met een bal
conform de Johan Cruijff eisen.

 

We verlaten Litchfield National Park en na een uur of wat in
het busje komen wij aan in Mary River National Park. Dit park heeft, zoals de
naam reeds doet vermoeden, als belangrijkste attractie de Mary River. Omdat een
zwemmende excursie vanwege een aantal redenen niet tot een goed idee gerekend
kan worden, stappen we in een safaribootje.

Gemoedelijke cruisen we over het riviertje, momenteel
gemiddeld een meter of 20 breed, maar over een paar weken begint het
regenseizoen en zal dit watertje danig buiten zijn oevers treden dat het samen
met andere plasjes, meertjes en riviertjes een bijzonder groot meer zal vormen.
De rijkelijk aanwezige flora en fauna weten dit en zijn hier op voorbereid. De
meeste bomen die er te zien zijn vinden het dan ook geen probleem om de helft
van het jaar grotendeels of geheel onder water te staan. Termietennesten zijn
op hoogte gebouwd, net boven het te verwachten waterpeil en het gedierte dat
nog niet alle zwemdiploma’s behaald heeft, gaat binnenkort hogerop.

Momenteel zit alles er nog, wat natuurlijk gunstige gevolgen
heeft voor de cruise. De kapitein, tevens schipper, matroos, gids en
scheepspsycholoog manoeuvreert ons onverschrokken door de natuurlijke
leefomgeving van talloze vogels, vissen en krokodillen. Gretig nemen wij alles
in ons en onze fotocamera’s op.

Nu doen vogels me niet bijzonder veel, maar de Black Necked
Stork (zwarte ooievaar), ook wel op zijn Aboriginals ‘Jabiru’ genoemd
(uiteraard heilig voor de Aborigines en tevens logo van the Northern Territory),
is toch een erg mooi beest. Interessanter nog is de White Bellied Sea Eagle, de
op één na grootste roofvogel van Australië met een vleugelspan van zo’n twee
meter. Romantisch als ze zijn jagen ze altijd in koppels, iets waar de kleinere
roofvogels niet blij mee zijn, omdat ze veel prooi wegjagen. Het is dan ook
niet zeldzaam om zo’n middelmatig vogeltje een spectaculaire luchtstrijd te
zien voeren met zo’n grote zeearend en nog te zien winnen ook.

De krokodillen zijn uiteraard nog interessanter. Mary River
is vrij uniek omdat het grote populaties kent van zowel saltwater crocodiles
(salties) als freshwater crocodiles (freshies). Nog even ter verduidelijking;
freshwater crocs worden slechts een meter of drie lang en zijn vrijwel
ongevaarlijk voor de mens. Ze zijn bang voor ons en tenzij je een exemplaar
dwingt tot sodomie met een bezemsteel, zullen ze je weinig doen. De mannelijke
salties daarentegen worden gemiddeld zo’n vijf meter lang (7 meter is ook wel
eens gevonden) en zijn nergens bang van. Vanaf drie meter wordt een saltie in
staat geacht om het leven van een Duitse toerist te nemen.

Freshies leven doorgaans alleen in zoet water, terwijl
salties uit de voeten kunnen in beide soorten water. Dit is bijvoorbeeld één
van de redenen waarom je in Broome of Darwin niet in zee wilt zwemmen, hoewel
je waarschijnlijk al op pijnlijke wijze bent gestorven aan een keur van kwallensteken,
voordat een krokodil zijn miljoenen jaren in jachtevolutie op je demonstreert.
Vaak wordt verondersteld dat waar freshies leven, geen salties zijn en vice
versa, maar een baantje trekken in de Mary River zou deze aanname dus binnen
een kwartiertje spectaculair ontkrachten.

Gedurende het tochtje zien we vele exemplaren van beide
soorten, doorgaans relaxerend in het zonnetje op de oever, soms in
boomstamimitatie in het water. We voelen ons onterecht veilig in ons vaartuig
dat eigenlijk alleen bescherming biedt tegen natte voeten, want een
enthousiaste saltie komt met gemak met tweederde van zijn lichaamslengte het
water uit. Toch gebeurt dat schijnbaar nooit. Wellicht omdat de koeien die
nietsvermoedend een slokje water komen slurpen niet alleen makkelijker, maar
ook veel smakelijker zijn. Of uit angst voor repercussie van een ontdane
minister van toerisme.

 

’s Avonds overnachten we op Point Steward. Het is de eerste
nacht kamperen, waarop nog vele zullen volgen, en ik verwacht zuiver minimalisme.
Verrast ben ik dan ook wanneer ik niet alleen een bekoelkaste keuken in een
tent tegenkom, maar zelfs in bungalowtentjes een soort bedden ontwaar, in de
vorm van een houten kist met een matje. Daar ik zoveel onverwachte luxe maar
met moeite in één keer kan verwerken, leg ik mijn matrasje maar vast buiten,
zodat ik later onder een deken van sterrenhemel een nieuwe slag met de
Australische mug kan gaan voeren. Van het tevens aanwezige sanitairgebouw maak
ik douchenderwijs wél dankbaar gebruik.

Voordat de nacht valt wordt er eerst een aangename maaltijd
bereid, onder leiding van Clancy, die naast een uitgebreide theoretische en
praktische kennis over de omgeving ook op culinair niveau zijn mannetje blijkt
te staan. Vervolgens scharen wij ons rondom een kampvuur waar Clancy de
didgeridoo rond laat gaan en wij vrijwel zonder uitzondering laten zien dat we
niet in staat zijn om fatsoenlijk op een holle stok te blazen. Toch lastiger
dan het lijkt…

_____________________________________________________________________

 

Het is ergens na vijven en de zon maakt me wakker. Verderop
hoor ik hoe Clancy met een schamele imitatie van een kraaiende haan mijn
tourgenoten uit de tent lokt. Ik tel mijn muggenbulten. Het zijn er slechts
twee, in zuivere symmetrie op beide armen aangebracht. Echter, de zwellingen
compenseren ruimschoots voor het meevallertje in kwantiteit.

Ik nuttig hetzelfde ontbijt als ik de rest van de maand zal
doen; twee stukjes toast met een veel te zoete jam en een onwaardige bak
oploskoffie. We pakken in en binnen een uur zijn we op weg naar Kakadu National
Park.

Kakadu is waarschijnlijk het beroemdste nationale park in
Australië. Het is in grootte ongeveer de helft van Nederland, wat stevige
stukjes rijden tussen de hoogtepunten van natuurschoon onvermijdelijk maakt.
(Volgens Net 5, die het programma Outback Jack uitzendt, wat zich in Kakadu
lijkt af te spelen, is Kakadu het grootste park van Australië. Dit is uiteraard
volledige onzin, omdat bijvoorbeeld het Eungella National Park, waar ik de Platypus
heb bekeken ongeveer tweeënhalf keer zo groot is, maar dit terzijde.)

Laat ik, wellicht ten overvloede, nog eens opmerken dat het
aan de warme kant is in Kakadu. De temperatuur is opgelopen tot tegen de
veertig graden, met een luchtvochtigheid van honderd procent.

Een andere feature is de overdreven aanwezigheid van
vliegen. Er zijn zo’n tweehonderd soorten vliegen in Kakadu en van elke soort
zitten minimaal twee exemplaren te allen tijde op je. Dit zou al vervelend
genoeg zijn wanneer ze egaal over het lichaamsoppervlak verspreid zijn, maar het
betreft hier Australische vliegen en die zijn met name gefascineert over het
gelaat met al haar mysterieuze openingen en holtes. Het aandringen op opvliegen
van de excentrieke insecten vormt een dagtaak en het beeld van een wild
schuddend hoofd en nog wilder zwaaiende armen en benen doet denken aan een
paranoïde schizofreen in chronische ontkenning. Enige troost is te vinden in
het besef dat iedereen er zo uit ziet.

Terwijl we ons vergeefs aan de aandacht van de vliegen
proberen te onttrekken, vertelt Clancy over het park en wat wij daar gaan doen.
Delen van zijn uitleg komen op mij niet helemaal goed over, want het wordt
overstemd door roggelende geluiden van omstanders die vliegen uitspugen en
kreten van kwetsuur veroorzaakt door wild zwaaiende armen die ongewenst met
wild schuddende hoofden in aanraking zijn gekomen. Terwijl Clancy de kaart van
het gebied tevoorschijn haalt verwijder ik een vlieg, die zojuist van een
dampende berg paardenfecaliën is opgestegen, uit mijn oor.

Dan dient de volgende afleiding zich aan; het is de bron van
de paardenfecaliën en hij heeft zijn vriendjes meegebracht. Kakadu heeft een
grote populatie wilde paarden. Hoewel ik van nature geen groot
paardenenthousiast ben, ben ik toch verwonderd over de schoonheid en
sierlijkheid van deze exemplaren. Aan voedsel en beweging is kennelijk geen
gebrek en de dieren zien er een stuk mooier en gezonder uit dan die dure
Arabieren die wel eens op televisie te zien zijn.

 

Na onze eerste ervaring met Kakadu rijden we snel door naar
onze eerste bestemming van de dag: Maguk, in het Engels Barramundi Gorge
genoemd. Onderweg zie ik een Dingo de weg oversteken en ik zet een mentaal
vinkje in het al even mentale Dingo-in-het-wild-gezien-vakje.

Barramundi Gorge is dus een kloof en zoals wel vaker bij
kloven kent deze een begin en een eind. Aan het beginpunt stroomt het water
veelal met een waterval de kloof in. Echter, in Maguk is deze waterval
opgesplitst in een cascade van kleine watervalletjes met lieflijke zwembadjes
ertussen, en een wat grotere waterval aan het einde.

We vermaken ons eerst onderaan de laatste, grote waterval,
in water waar een freshwater croc schijnt te leven, die zich helaas niet liet
zien. Na verfrist te zijn, drogen we razendsnel op terwijl we naar boven
klimmen, om daar weer drijfnat aan te komen voor de volgende zwempartij.

Het is boven nog prachtiger dan beneden en in navolging van
deze filosofie vermaak ik me kostelijk door langs de kleine watervalletjes
omhoog te klimmen. Hoe hoger ik kom, hoe minder mensen er zijn en hoe warmer
het water wordt. Na een tijdje besluit ik weer terug te keren om te voorkomen
dat men zonder me vertrekt. Het was een interessante klim in een prachtige
omgeving. Terug bij de groep aangekomen tref ik een schouwspel van natuurlijk
schoon in zowel eeuwenoude rotserosie als lentejonge dames in bikini. De
Belgische Tom geeft de Koreaanse Juree zwemles en de aanwezige Britten en
Ozzies gooien nog eens met de rugbybal.

 

Na het schone water weer in zweet te hebben omgezet zitten
we in de bus in de schrale troost van al even schrale airconditioning. We
rijden een paar uur, ontwijken met moeite een suïcidaal veulen en komen
uiteindelijk aan bij Ubirr.

Ubirr is één van de beroemdste plaatsen waar Aborigines op
rotsen hebben staan vingerverven. Schilderingen uit verschillende periodes zijn
bewaard gebleven en de plek is daarom van groot belang voor de antropologische
wetenschap. Hoewel het best interessant is om te zien hoe men in een bepaalde
periode behoorlijk geïnteresseerd was in de anatomie van voedsel en het
doorgeven van kennis, kan ik niet zeggen dat ik blij zou worden van zo’n
tekeningetje boven mijn bed. Ik wil uiteraard de significantie van deze plek
niet te min doen, maar ik kan niet begrijpen waarom sommige mensen met een
geestelijke erectie urenlang naar de oude verfresten kunnen staren. Aan de
andere kant, dat heb ik ook nooit begrepen van een kleurplaat van Mondriaan of
van de verwarde binnenhuisarchitectuur van Duchamps.

Na uitgebreid gediscussieerd te hebben over het inventieve
lichtgebruik en de expressieve penseelstreken van de afbeelding van een vis,
maken we een korte klim omhoog naar een top die ons in 360 graden vrij uitzicht
geeft over het landschap. Een grote vlakte strekt zich naar alle kanten uit, begrensd
door de bergen aan de horizon. Hier en daar liggen wat rotsen opgestapeld en
clusters van bomen verbreken plaatselijk de vlakte. Plassen water reflecteren
het laatste zonlicht in kleuren rood terwijl de zon zijn laatste warmte van de
dag ten overvloede op ons uitstraalt. Het geheel voelt erg Afrikaans aan; een
uitgestrekte steppe bij ondergaande zon. We schatten wie de lichtste van het
gezelschap is, zodat we haar op Lion King achtige wijze op kunnen tillen. Een
groepje wallabies gaat in de schemering op zoek naar voedsel en tegen beter
weten in zitten wij met de camera’s in de aanslag om een hongerige leeuw te
kunnen fotograferen.

 

Terwijl de duisternis rond ons heen optrekt rijden we naar
Jabiru, één van de weinige dorpen in Kakadu, waar zo’n duizend mensen wonen.
Kakadu kent een aantal Aboriginal gemeenschappen, maar in Jabiru wonen ook
blanken, die daar veelal in een mijn werken.

Op weg naar de camping ontwijken we wat wallabies en
passeren we een bosbrand. Aboriginals onderhouden het land in Kakadu en doen
dat zoals ze dat al tienduizenden jaren doen; met de fik erin. Door regelmatig
stukken gecontroleerd af te branden, wordt het land vruchtbaar gehouden en
beschermd tegen ongecontroleerde bosbranden door bijvoorbeeld blikseminslag. De
flora en zelfs fauna zijn hier volledig aan gewend. Het droge gras brandt af,
maar de bomen kunnen er tegen. Zelfs de termietennesten komen onbeschadigd door
de branden heen. Sterker nog; sommige bomen laten alleen hun zaden alleen los
bij vuur en de termieten genieten van de warmte van de brand. Hoe het ook zij,
het geeft leuke foto’s.

De camping is vergelijkbaar met de vorige. Na wederom een
goede maaltijd en aangename douche drinken we nog een paar pilsjes op het kamp.
Clancy, die gedurende de hele dag zijn kennis heeft verspreid over de planten,
dieren en geschiedenis van Kakadu, leert ons een gaaf trucje; spinnen zoeken.
Door een zaklamp die een fatsoenlijke bundel licht produceert met de achterkant
tegen je neus aan te zetten en met de bundel mee te kijken, kun je op veel
plaatsen op de grond kleine, ronde reflecties zien. Deze reflecties worden
veroorzaakt door één van de acht ogen van een spin die daar nietsvermoedend zit
te wachten op een nietsvermoedende mier of termiet. Verbazingwekkend hoeveel
spinnen er continue op de grond rond je heen zitten, veelal kleintjes, maar
soms ook best grote. In ieder geval een goede methode om een stukje grond te
controleren, voordat je er gaat slapen.

Buiten slapen is echter die avond niet aan de orde. De twee
muggenbulten hadden gedurende de dag voor een aanzienlijke jeuk gezorgd en hoewel
de sterrenhemel in Kakadu werkelijk spectaculair is, heb ik hier na het
afzetten van mijn bril voor het slapen gaan toch niet meer zo veel aan. Deze
avond slaap ik dus in de tent, waar de temperatuur, zoals ook buiten, nog
steeds buitengewoon hoog is.

_____________________________________________________________________

 

Kort na vijven wordt ik gewekt door een kakelende haan.
Clancy lijkt geoefend te hebben op zijn imitatiekunsten, maar het blijkt een
mp3 te zijn van Jeffrey uit Overijssel. Er wordt ontbeten, er wordt ingepakt en
er wordt vertrokken richting Jim Jim Falls.

 

De route brengt ons over een zandpad waar de
vierwielaandrijving van de bus wordt ingeschakeld. Als in een blender komen we
langzaam dichterbij Jim Jim Falls, door een omgeving van vaak dichte begroeiing
en reusachtige termietenkathedralen. We stoppen bij een imposant exemplaar van
zo’n vijf meter hoog. Naar schatting kost elke meter van de kathedraal zo’n
tien jaar om te bouwen en dit gebeurt met termietuitwerpselen. Het resultaat is
een harde, sterke, vuurbestendige berg waar je je auto op stuk zou rijden.

 

Een stukje verderop stoppen we nogmaals omdat Clancy een
kinky boom met dito vrucht heeft gezien. De vrucht schijnt door de Aborigines
gebruikt te zijn voor het verdoven van kiespijn. Clancy plukt een exemplaar en vraagt
een vrijwilliger om de vermeende werking uit te testen. Nu heb ik het niet zo
op alternatieve geneeswijzen, maar ik wil best met verdovende middelen experimenteren.
Dus, na een kort beslissingsproces, zit de vrucht tussen mijn rechterkiezen
geklemd, terwijl Clancy de bus weer in beweging brengt. Per direct vloeit een
misselijkmakend sap de vrucht uit, mijn mond in. Een plantaardige smaak van
dierendarmen doet mijn tong krullen en het vergt opperste concentratie om een
zekere antiperistaltische drang te onderdrukken. Clancy, die uiteraard van deze
bijwerking op de hoogte was, maar verzuimde dit als a priori kennis aan zijn
vrijwilliger mee te geven, verzoekt mij breed grijnzend de duivelsvrucht nog
een tijdje in het gelaat te laten. Veel keuze heb ik niet, daar we op dat
moment met de bus door dichte begroeiing stuiteren. Uit het raampje hangen voor
discrete spuugpraktijken, zal resulteren in verlies van bril, opperhuid,
jukbeen en bewustzijn. Daarom hou ik de kiezen op de vrucht die intussen nog
steeds sappen loslaat alsof hij ejaculeert met tantratraining. Als mijn mond
bijna overloopt en mijn tong aanvoelt alsof ik een kwartier aan een boom heb
zitten likken, komen eindelijk de verlossende woorden van Clancy en een open
plek in de begroeiing. Vol overtuiging onderwerp ik het resterende vruchtvlies
en een geruime hoeveelheid sap in onverpakte vorm aan de zwaartekracht. Van ettelijke
verdoving van tanden en tandvlees is niks te merken, maar enige vorm van
kiespijn zou ongetwijfeld vergeten zijn…

 

Jim Jim Falls is een recht stuk berg van 180 meter hoog waar
gedurende het regenseizoen een ongekende hoeveelheid water vanaf dondert.
Gedurende het regenseizoen regent het weken aan een stuk, opgesierd met de
meest spectaculaire onweerpartijen en gevaarlijke orkanen. Dit heeft onder
andere als gevolg dat het Noorden van Australië er in en na die periode heel
anders uitziet. In Kakadu moet je je voorstellen dat al het aanwezige water met
een meter of twee tot drie stijgt. Die steppe bij Ubirr, die hierboven
beschreven is, is één groot meer na een paar weken regen. De plassen water die
er nu nog lagen, de laatste restanten van het vorige regenseizoen. Al het water
komt met elkaar in verbinding, de krokodillen verspreiden zich en zwemmen uit
hun voorheen geïsoleerde billabong (permanente waterplas) naar zee en
vervolgens naar Darwin, of andersom. Grote gebieden, waaronder Jim Jim Falls in
Kakadu zijn dus gedurende het regenseizoen ontoegankelijk.

Zo in het einde van het droge seizoen komen we er wel, maar
er valt uiteraard geen water. De overlap tussen toegankelijkheid en waterval is
schijnbaar maar drie weken per jaar, verspreid over de overgangen tussen de
twee seizoenen. Niet getreurd, want ook zonder vallend water is de plek
prachtig.

Na een stevige wandeling langs een kabbelend beekje dat
spoedig zal veranderen in een woest kolkende rivier, komen we aan bij een
strandje. Het is ongekend warm vandaag, dus met spoed trekken we alle
overtollige kleding uit en gaan we te water. Het is hier al mooi, maar na een
klein zwemtochtje en dito klim over een stapel rotsen komen we dan
daadwerkelijk aan de voet van de zo machtige, doch droge waterval. Het uitzicht
is onbeschrijflijk. Ik zwem in water van vijftig meter diep, langs rots die
rond me heen kaarsrecht 180 meter de hoogte in gaat. Als ik op mijn rug zwem
zie ik boven de top van de waterval wolken voorbij drijven, terwijl de stemmen
van mijn reisgezelschap in de verticale tunnel echoën. Aangekomen bij de rand
is het duidelijk dat de rotsmuur volledig vlak en recht de diepte in gaat, glad
door het geweld van vallend water. Boven het wateroppervlak zit er wel wat
reliëf in de wand waardoor we omhoog kunnen klimmen om vervolgens weer van
meters hoogte het water in te duiken. Een proces waarbij menigeen een lichte
vorm van hoogte- en watervrees heeft overwonnen.

Het is er prachtig. Helaas heb ik mijn
wegwerponderwatercameraatje niet meegenomen, hoewel ik betwijfel of het de
grootsheid ook maar fractioneel had kunnen vastleggen.

 

Later zitten we vermoeid maar voldaan weer in de bus. We
genieten nog een lunch, maar daarna zijn we weer op weg terug naar Darwin, wat
vanaf deze plek toch ruim vier uur rijden is. Onderweg komen we de zonnewagen
van de TU Delft tegen, zij het op de aanhanger. De race zal binnenkort gaan
beginnen en uiteraard zullen ze hem weer winnen. De locatie van de race; de
Stuart Highway, tussen Darwin en Adelaide, zal ook ik in de komende 10 dagen
gaan afleggen, met de nodige omwegen en attracties. Maar hierover later meer.

Eerst is er nog een nacht in Darwin. Na wat pilsjes in een
bijzonder foute bar en een paar pilsjes in een bijzonder aangename bar, ga ik
weer eens te laat naar bed. Dit keer in ieder geval wel weer een bed, in een
kamer met airconditioning, maar niettemin een korte nacht.

 

Darwin naar Alice Springs

Het is vijf uur en mijn telefoon piept melodieus op het
constante bonzen van mijn hoofd. Het is ook altijd weer hetzelfde liedje… Ik
pak mijn spullen in, neem afscheid van bed en airconditioning en zit om zes uur
in een bus, met achttien anderen. De hele groep uit Kakadu is er nog, met
uitzondering van Vic, een vriendelijke Engelse kerel uit de filmindustrie, met
wie ik nog een leuk gesprek had gehad over videobewerking en special effects.
We zijn aangevuld met een extra Koreaanse, een koppel bestaande uit een
Française en een Ier en een Duits koppel. Ook is er een andere gids; Phil.

Nog voordat we Darwin uit zijn, komt in het oosten een grote
rode zon op. Vuurrood licht, gebroken door het struikgewas in de berm,
reflecteert op het verlaten asfalt. In Australië komt de zon nog traditioneel
op en gaat zij ook traditioneel weer onder. Dit in tegenstelling tot Nederland,
waar het gewoon donker en licht wordt. Ik kan mij niet herinneren wanneer ik in
Nederland voor het laatst vuur in de lucht heb gezien, industrieel affakkelen
uitgezonderd, maar misschien is dat het gevolg van een selectief geheugen. Ik
besluit in ieder geval deze zonsopkomst en alle andere zonneactie goed in me op
te nemen.

 

Vandaag hebben we het kortste ritje van de drie dagen;
slechts 350 kilometer. Ik zou in deze tijd graag wat slapen, maar dit blijkt
vrijwel onmogelijk. De bus is namelijk van het merk Mitsubishi en zoals al
eerder aangegeven op deze weblog (avonturen rond Melbourne), zijn Japanners
niet in staat comfort te creëren. De leuning van de stoel maakt een rechte hoek
met het zitvlak en de stoel als geheel is zo gevuld als een Ethiopiër na drie
maanden Sonja Bakker.

Nu zijn deze eigenschappen niet goed voor een stoel, maar
eventueel overkombaar. Echter, de volgende soortgelijke stoel staat ongeveer
één el voor de mijne. Nu ben ik op zo’n wonderlijke wijze gevormd dat mijn
bovenbenen significant langer zijn dan mijn onderarmen. Wie nog een beetje
bekend is met vooroorlogse lengtematen kan hieruit afleiden dat ik niet conform
de nederige Japanse bedoelingen van de stoel gebruik kan maken. In plaats
daarvan ben ik in voortdurende beweging waarbij mijn benen alle denkbare
posities innemen tussen gebogen tussen borst en nabije rugleuning geklemd en
uitgestrekt in het gangpad, met mijn hoofd stuiterend tegen het raam. Het geeft
in ieder geval wat afleiding…

Ik mag nog van geluk spreken dat ik in een enkele stoel zit,
aan het linkerraam van de bus, in plaats van aan het rechterraam van de bus,
waar een buurpersoon van willekeurig geslacht de beenruimte in het gangpad
blokkeert.

Ergonomisch uitgedaagd doe ik toch verschillende
slaappogingen met de benen in het gangpad, maar de beroerde staat van de
Australische wegen in de Outback, in combinatie met de sadistische Japanse
vering, zorgen voor een freestyle beat van raam op hoofd, zonder dat mijn
telefoon daar enige melodieuze bijdrage aan geeft. Na een korte sessie
schijnslapen geef ik op en staar maar wat naar buiten.

 

Na verloop van tijd komen we aan in Katherine, een plaatsje
met een kleine 7000 mensen, waarvan een groot deel van Aboriginal afkomst. Een
stukje buiten deze gemeenschap zullen wij de nacht doorbrengen nadat we het
nabijgelegen natuurpark hebben bezocht. Eerst gaan we naar één van de vele
bottle shops (slijterijen) om wat gezelligheidsversnaperingen in te slaan.

Vanwege de nieuwe alcoholwetten in the Northern Territory,
(opgelegd door Prime Minister John Howard ter bestrijding van het alcoholisme
onder de Aboriginal bevolking), mogen de bottle shops pas na twee uur ’s
middags open. Het resultaat is dat er om kwart voor twee grote groepen
Aboriginals voor de deur staan te wachten. Het ziet er zwart van de mensen.
Opgelucht dat men pas na tweeën troost kan kopen, stappen wij de bus uit. Het
geeft immers zo’n nare sfeer als iedereen gespreid over de dag zijn alcohol
koopt…

 

Ik ben dus in the Northern Territory. In tegenstelling tot
de Oostkust zie je hier dus echt de invloeden van de oorspronkelijke bewoners
van het land. Niet alleen de oude cultuur en verhalen, zoals de
rotsschilderingen in Kakadu of in één van de vele culturele centra, maar ook
wat er van die cultuur geworden is na contact met de Europeanen.

Over dit laatste kan ik helaas niet bijster positief zijn.
In een stadje als Katherine, waar wit en zwart naast elkaar leven, zie je op
elke straathoek Aborigines staan, zitten of liggen, vaak in niet veel meer dan
een paar oude, bevlekte vodden en over het algemeen dronken met de fles in de
hand. Ze zien er slecht verzorgd uit, ruiken passend voor de situatie en missen
een aantal tanden. Verschil tussen mannen en vrouwen is soms bijzonder moeilijk
op te merken door ongecontroleerde haargroei op onverwachte plekken en het
geheel maakt een bijzonder dreigende, doch trieste indruk.

Uiteraard moet ik hierbij opmerken dat ik hier alleen de
sociaal minder geslaagden zie. Ik tel de aanwezige bottle shop groupies even en
kan blij concluderen dat er slechts een fractie van de 7000 mensen aanwezig
zijn. De overigen zijn ongetwijfeld in nette kleding en bloemerig geurend op
hun werk.

Van mijn tour guides hoor ik vele verhalen over
probleemloze, alcoholvrije Aboriginal gemeenschappen en eerder vertelde een
verpleegster uit Katherine, die ik in Townsville ontmoette, dat het in
Katherine relatief goed gaat. Toch zijn er, zonder te veel te generaliseren,
grote problemen die maar al te zichtbaar worden bij een tochtje door het midden
des lands.

De oorzaken zijn duidelijk te lezen in de recente
geschiedenis. De Aborigines hebben bijzonder veel gruwelijkheden moeten
doorstaan (tot ver in de 20e eeuw) en heden ten dagen zijn er nog
steeds reusachtige verschillen en ernstige discriminatie. Het ziet er niet naar
uit dat dit snel opgelost wordt.

De regering is continu in dilemma. Ofwel je dwingt iedereen
een blank leven te leiden, of je respecteert oude gebruiken en staat verdere
vervreemding toe. Nu komt de drooglegging opgang en wordt kindermisbruik met
behulp van het leger opgespoord en bestraft. Beide duidelijke voorbeelden van
het eerste. Anderzijds is er geen leerplicht voor Aboriginal kinderen; een dramatisch
voorbeeld van het tweede.

 

Afijn, we zetten onze behoeften om in drank (later zal dit
proces zich omkeren) en springen weer in de bus voor het korte ritje naar
Nitmiluk National Park, beter bekend als Katherine Gorge. Hier spenderen we de
hele middag. Er is een keuze om te gaan kanoën of om een boottochtje door de
gorge (kloof) te maken. Een derde en tevens gratis optie, is om gewoon een
beetje te relaxen. Ik kies deze laatste optie, samen met Alex(andra), een
Duitse, afgestudeerd in Engelse literatuur en daardoor met een briljant zuiver
Brits accent.

Op een handdoek in de schaduw proberen we de felle zon te
slim af te zijn. Het wil niet echt lukken en elk uur moeten we noodgedwongen
afkoeling zoeken in het zuivere water van de gorge. Het is zo warm dat ik bijna
mijn voetzolen verbrand aan de straatstenen.

Ik probeer wat te slapen, maar intelligent als het lichaam
is, heeft het besloten nu niet moe te zijn. Dit wordt liever bewaard tot
wanneer ik weer op creatieve wijze over een stoelachtige gevouwen ben.

In een vlaag van onverklaarbare energie, besluit ik een
kijkje te gaan nemen bij de lookout over de gorge. Omdat lopen in de hitte niet
bijzonder comfortabel is, besluit ik te gaan snelwandelen. Dit is uiteraard nog
oncomfortabeler, maar ik lig in ieder geval weer sneller in het water.

In recordtijd sta ik bovenaan een uit rots gehouwen trap en
kijk ik uit over de gorge. Het is een prima gorge. Na diverse verwennerij in
eerdere reisjes in dit land ben ik niet gebiologeerd door het decor, maar
zonder enige twijfel is het maken van een aantal foto’s gerechtvaardigd.

Met deze toeristische verplichting voldaan, ren ik weer naar
beneden, waarbij ik een koppel op leeftijd voor de tweede keer bijna omver
loop. Nu begrijp ik best dat sommige mensen wat rustiger aan lopen, maar deze
twee gaan wel belachelijk langzaam. Ik vermoed dat ze halverwege kamp opzetten
voor de overnachting.

Na nog een vrolijke zwempartij komt iedereen weer terug van
het vaartochtje, op zowel zelf aangedreven als volledig verzorgde wijze.

Schijnbaar uitgerust, doch zonder geslapen te hebben,
verruil ik mijn beschaduwde handdoek voor de be-airco-de martelstoel.

 

Op het kamp, dat er eigenlijk weer precies hetzelfde uitziet
als de overnachtingsplekken in Kakadu, wordt weer een prima avondmaaltijd
gegeten. ’s Avonds genieten we van de eerder ingeslagen producten en wordt er
kennis gemaakt met de nieuwe mensen in de groep.

Net voor het slapen gaan kijk ik nog eens omhoog, naar
wederom een heldere sterrennacht. Talloze constellaties fonkelen aan weerszijde
van de witte baan van de Melkweg. Na een tijdje vind ik de Southern Cross en
Orion. In mijn ooghoek zie ik een flits. Bliksem in de verte, boven Darwin. Een
voorbode van het regenseizoen en een magisch contrast.

_____________________________________________________________________

 

Het is half vijf en er dient opgestaan geworden. De nacht
was warm en we zijn al nat van het zweet voordat de zon op is. Het went.
Vandaag is een grote dag, maar daarmee niet direct een bijzonder interessante.
De belangrijkste gebeurtenis is het afleggen van 750 kilometers, dus daar
beginnen we na het ontbijt maar meteen aan.

 

Onderweg komen we hier en daar een bezienswaardigheid tegen.
Als eerste de Mataranka Thermal Pools, behorende bij het dorpje Mataranka met
500 inwoners. Het valt enigszins tegen. Ik verwachtte een natuurlijke warme
bron met whirlpool kwaliteiten waar we in het zonnetje zouden kunnen liggen
weken, terwijl rondborstige dames in bikini versnaperingen naar keuze zouden
distribueren. In plaats daarvan blijkt de bron een zwembad te zijn, inclusief
reling, hetgeen het avonturiergehalte niet ten goede komt. De zon wordt
geblokkeerd door een stuk regenwoud en de enige rondborstige dame in bikini is reisgenoot
Julia, die absoluut een traktatie voor het oog is, maar verder niet trakteerde
op versnaperingen.

 

Een andere, veel leukere stop is het metropool Daly Waters.
Dit bruisende centrum kent zo’n tien vaste inwoners. Na een belangrijke rol in
de geschiedenis van de luchtvaart, onder andere in de tweede wereldoorlog, is
het nu één van de dorpjes onderweg die uitsluitend dienst doet als tankstation,
hotel, restaurant en café. Het café maakt een leuke attractie. Sinds vele jaren
wordt iedereen daar uitgenodigd iets persoonlijks achter te laten. Alle muren
hangen dus vol met oude identiteitsbewijzen, geld, (röntgen)foto’s,
nummerplaten, vlaggen en kledingstukken. Boven de bar hangt een indrukwekkende
verzameling bh’s.

We eten lunch en drinken een paar biertjes. Voordat we Daly
Waters vaarwel zeggen, rijden we nog even langs de locale bezienswaardigheid;
een boom waar met veel fantasie een gekerfde ‘S’ in te zien is. Deze ‘S’
schijnt door John McDouall Stuart himself te zijn gekerfd.

 

John McDouall Stuart is de grootste held van de Australische
exploration. Hij was de eerste die een pad vond van Adelaide in het zuiden,
naar Darwin in het Noorden. Dit ging uiteraard niet vanzelf. Tussen deze twee
plaatsen ligt ruim 3000 kilometer bush en woestijn. Temperaturen kunnen oplopen
tot in de vijftig graden. Water is enorm schaars, schaduw soms kilometers weg.
Het is niet zo’n clichéwoestijn als de Sahara, maar één met lage, scherpe, soms
onbegaanbare vegetatie. Tel hierbij op een paar stammen chagrijnige Aborigines en
je begrijpt waarom Stuart 6 pogingen nodig had, verspreid over even zoveel
jaren.

Een tweetal keren werd hij aangevallen en teruggedreven door
vijandelijkheden van de locale bevolking, andere keren moest hij terug wegens
gebrek aan water, voedsel of hoefijzers. Hoewel het weinig heeft gescheeld,
heeft hij zichzelf en al zijn mannen altijd in leven kunnen houden, maar vier
jaar nadat hij eindelijk zijn missie had volbracht in 1862, stierf hij verzwakt
door zijn werkzaamheden, op 50 jarige leeftijd.

Naar hem is de Stuart Highway genoemd, die Adelaide met
Darwin verbindt, vrijwel exact langs de route die door Stuart is uitgestippeld.
En de tocht die hij maakte, maak ik nu andersom, zij het wat sneller, maar
dankzij Mitsubishi bijna in even waardeloos comfort.

 

Naarmate we zuidelijker komen, wordt de omgeving kaler en de
aarde roder. Zoals gezegd wordt het nooit helemaal kaal, er zijn altijd wel wat
struiken of bomen aanwezig, maar erg vruchtbaar ziet het er niet uit. Behalve
kaal is het ontzettend vlak. Er is dus eigenlijk helemaal niks te zien en dat
heeft dan weer een vreemd soort charme.

Af en toe zien we de trainrails van de Ghan. Deze rails
verbindt Adelaide met Darwin en loopt min of meer langs de Stuart Highway. Het
laatste stuk van de Ghan, van Alice Springs naar Darwin, is pas sinds 2004
klaar en in gebruik.

De Ghan dankt zijn naam aan zijn Afghaanse bouwers, die met
behulp van meegebrachte kamelen (eigenlijk dromedarissen) de ellende van de
woestijn trotseerden voor het bouwen van een treinverbinding. Deze ontwikkeling
is tevens de oorzaak van talrijke wilde kamelen die in centraal Australië de
natuurlijke balans verstoren. Ik heb er geen gezien onderweg, maar een paar van
mijn reisgenoten wel.

De weg is voornamelijk leeg. Zo af en toe is er eens een
tegenligger. Dit zijn meestal road trains; lange, grote vrachtwagencombinaties
die tot vier trailers lang kunnen zijn (ruim 50 meter).

 

Net onder Tennant Creek, een dorp met ruim 3000 inwoners,
waar we dezelfde, mogelijk ergere taferelen zien als in Katherine, is ons kamp;
Juno Horse Farm. Gebruikt als paardenkwekerij wordt de plaats niet meer, maar
hier en daar loopt er nog wel een verdwaald exemplaar rond. De populatie
insecten is een stuk groter. Als de vliegen zich rond zonsondergang
terugtrekken komt een keur aan ander klein gevleugelte en diens jagers op het
licht af. Reusachtige bidsprinkhanen vliegen in de ventilator en worden in
stukjes terug gezonden. Erg Animal Planet was de huntsman van acceptabele
grootte, die in één van de hoeken van de keuken hing. Toevallig keek ik net
toen hij/zij op indrukwekkende wijze een langs vliegende mot uit de lucht greep
en prepareerde voor vertering.

Later op de avond win ik op kundige wijze door middel van een
spelletje poker een monopoly aan lucifers. Phil blijkt een beter chauffeur dan
pokerspeler en ook de mooie Engelse Julia heeft het bluffen nog niet onder de
knie. René was wel een bekwame tegenstander, al zou het alleen maar zijn omdat
hij Nederlands is en deze verslaggeving dus kan lezen.

 

De nacht wordt doorgebracht in een swag. Dit is een soort
buitenhoes voor je slaapzak, met een matrasje erin, die je rond je heen kunt
dichtritsen. Op deze manier kun je overal onder de sterrennacht slapen, zelfs
met de lage temperaturen die in andere tijden van het jaar in de nacht bereikt
worden. Het is allemaal erg Ozzie en het slaapt fantastisch.

_____________________________________________________________________

 

Vandaag slapen we uit en het is al 6 uur wanneer we worden
gewekt. De zon staat al centimeters boven de horizon en er zit plots een gat in
de dag. Dat kan vandaag allemaal, want we hebben nog maar 500 kilometer te gaan
tot Alice Springs, met een leuke bezienswaardigheid onderweg.

 

Deze bezienswaardigheid zijn de Devils Marbles. Dit is een
kudde grote ovale keien graniet, die een enigszins verdwaalde indruk maken in
het vlakke, lege landschap. Ze zijn ontstaan door een combinatie van
vulkanische activiteit, gevolgd door vele miljoenen jaren van erosie.

Mocht dit allemaal wat te aannemelijk klinken, dan kun je
ook geloven dat er ooit een grote, boze slang over de aarde heen trok, en
daarmee het land vormde. Deze slang, ‘the rainbow serpent’, wordt er door
sommige mensen ook van verdacht Katherine Gorge, zoals boven beschreven, te
hebben geknutseld. Afijn, omdat slangen ook niet helemaal ongevoelig zijn voor
de biologische klok, heeft ze een stapel eieren gelegd en deze steenharde
eieren worden nu al geruime tijd onder toeristenvoeten uitgebroed, onder de schuilnaam
Devils Marbles.

 

We stoppen voor benzine bij Wycliffe Well, dat zichzelf tot
UFO hoofdstad van Australië heeft gedoopt. Aan de lopende band ziet de beperkte
genenpoel van het handjevol residenten ze hier vliegen en het tankstation is
een museum van krantenknipsels, papier-maché aliens en andere rariteiten.

 

Er dient ook geluncht te worden en dit gebeurt in de
bescheiden gebouwencollectie van Ti Tree. We maken wraps, die we tot ver boven
de eigenlijke capaciteit volstoppen met etenswaren.

Terwijl wij genoeglijk de wraps op ongemanierde wijze in de
mond vouwen, steekt plots een stevige wind de kop op. Op ongeveer twee meter
afstand ontstaat vanuit het niets een Willy Willy, ook wel Dust Devil genoemd.
De minitornado groeit al even snel in hoogte als het van ons weg beweegt. Na
een meter of twintig over het zand te hebben gereisd, waarbij de stofpilaar
ongeveer 8 meter hoog is geworden, verdwijnt het fenomeen net zo plots als het
ontstond.

We beginnen aan de wederopbouw. Het is verschrikkelijk.
Servetjes liggen op chaotische wijze op de grond en sommige wraps hebben
bladeren sla en andere garnering verloren. We besluiten uit respect voor de
laatste wensen van de ham en kaas sandwich die stoffig was geworden, onze reis
naar het Zuiden toch door te zetten. Mentaal ondersteund door poëtische
wijsheden van A. Hazes en J. Smit slepen we ons op trillende benen door de
onheilspellende hitte de bus in.

 

Kort voor het vallen van de avond rijden we door de
buitenwijken van Alice Springs. In tegenstelling tot wat we gewend zijn van
buitenwijken, is dit níet de plaats om te zoeken naar een goede
vastgoedinvestering. De verdroogde grasvelden zijn gevuld met ogenschijnlijk
onbezorgde Aborigines, die daar op semi-traditionele wijze leven.

In 40000 jaar tijd hebben Aborigines nog nooit een huis gebouwd.
Ten eerste, omdat het een nomadenvolk is, ten tweede omdat het gewoon altijd
lekker weer is. Bij een regenbui of regenseizoen zoek je gewoon een fijne grot
op, of je wordt klimaatneutraal gedoucht. Een implicatie van dit gebrek aan
behuizing, is dat ze ook nooit de vuilnisbak hebben ontwikkeld. Immers, waar
zet je zo’n ding neer? Duidelijk niet in de keuken of onder het bureau.

Zo komt het dat de buitenwijken van Alice Springs worden
gekenmerkt door een ring van afval, variërend van vele, vele lege
bierverpakkingen, tot autowrakken. Het is… kleurrijk, maar niet direct de
locatie voor een vakantiehuisje.

 

In de schemering komen we aan bij ons hostel. De groep zal
zich nu ongeveer in tweeën gaan splitsen. De ene helft vertrekt de volgende
ochtend voor een paar dagen Red Center en komt daarna weer terug naar Alice. De
andere helft, waaronder ik, zal twee dagen in Alice vertoeven, alvorens op een
laatste tour via het Red Center naar Adelaide te reizen.

Bij binnenkomst kijk ik direct in de lieve glimlach van
Véronique, mijn Frans-Canadese reisagente. Plannen om samen een stukje te
reizen konden helaas niet doorgaan, maar twee dagen Alice Springs, waar ze op
dat moment werkt zijn gelukkig wel gewaarborgd.

 

’s Avonds komt de gehele groep voor een laatste maal samen
in Saloon-Dining Bojangles, dé stek bij uitstek om uit te gaan. Het is een
geinige en drukke tent, waarbij de lokale bevolking, zoals het betaamt, al voor
het avondeten te dronken is om te lopen, laat staan dansen. Overal hangen
camera’s, die direct broadcasten op het Internet. Er is zelfs een online
service waarbij je geliefden op afstand met de creditcard drank voor je kunnen
betalen.

Ik eet de mixed grill. Een bord met kangaroo-, emu-,
buffel-, krokodil- en kamelenvlees staart mij provocerend aan. Dat kangaroo
prachtig vlees is, dat is al bekend. Emu blijkt ook niet slecht te zijn.
Krokodil is weg te werken. Bij buffel stel ik me al vraagtekens aan het culinaire
vermogen van de indianen die talloze generaties van die beesten hebben geleefd.
Na met bijzonder veel moeite en tegenzin kameel door mijn slokdarm gedwongen te
hebben, heb ik veel meer begrip voor kwade woestijnextremisten die uit afgunst
landen met fatsoenlijk eetbare dieren willen opblazen.

De avond wordt nacht en na een meervoud van glazen bier en
wijn en sociale activiteiten met Véro vind ik mijzelf in een comfortabel bed
van een koele kamer.

 

Alice Springs

Diep in de ochtend word ik wakker. Ik ga naar beneden, groet
Véro aan de tourdesk, (haar vrije dag was gecanceld en nu zat ze alweer vanaf
’s ochtends vroeg katerachtig op het werk) en ga naar een nabijgelegen Subway
voor ontbijt.

 

De hele dag zit ik eigenlijk voornamelijk bij de tour desk
op de bank, terwijl mijn kleren door een schraal wasmachine worden verzocht om
weer fris te gaan ruiken.

Als Véro pauze heeft lopen we een stukje door Alice, naar
onder meer een internettoko.

Alice Springs is de op één na grootste plaats in the
Northern Territory en het grootste in de wijde, wijde omgeving. Ondanks deze
statistiek zijn er toch maar zo’n 25000 mensen die Alice thuis noemen (met of
zonder huis). Het is dus een klein plaatsje en om eerlijk te zijn bevalt het me
de eerste dag niks.

Het is enorm warm. De lucht is dan weliswaar droog, maar de
veertig graden zijn we wel gepasseerd. Er is weinig gezelligs aan het plaatsje
en op de parkeerplaats van een supermarkt/slijterijcombinatie staan de
plaatselijke daklozen ons maar onvriendelijk aan te staren.

 

Afijn, na nog wat algemene ontspanning in het hostel gaan
Véro, Jackie (een Nederlandse) en ik dineren in een bijzonder schrale
Italiaanse eettent. Niet bijzonder lang daarna breng ik de nacht door.

_____________________________________________________________________

 

Vandaag heeft Véronique dan wel een vrije dag. Samen
verkennen we Alice Springs. Ze heeft er nog maar een week werken opzitten, dus
ook voor haar is er nog genoeg te verkennen.

 

In een getrainde toeristenvaart lopen we langs alle sights,
waar we een bijzonder talent blijken te bezitten om nergens voor te hoeven
betalen. Meestal is dit omdat uitbaters reisagentes graag te vriend houden,
soms omdat er niemand bij de kassa staat.

 

Zo nemen we een kijkje in het museum van the Royal Flying
Doctors. Zoals kennelijk wel meer plaatsen in ruraal Australië, beweert ook
Alice Springs de plaats te zijn waar the Flying Doctors zijn begonnen. Echter,
volgens Wikipedia was er pas in 1934 een basis in Alice, terwijl de eerste
service vanuit Cloncurry in Queensland vloog, in 1928. Afijn, dit wordt
misschien ook wel in de film verteld, maar die hebben we niet bekeken. Het is
in ieder geval een geinig museumpje om een kwartiertje rond te lopen.

 

Leuker vind ik het reptielencentrum, aan de andere kant van
de straat. Hier bekijken we hoe Australië’s giftigste en meest dodelijke slang,
de Taipan, een muis verorbert. Verder groeten we nog wat andere geinige
beestjes, zoals de Frilled Neck Lizard en de Thorny Devil. Twee geweldige
beestjes die ik helaas niet in het wild heb mogen ontwaren, hoewel daarop wel
een kans was (de Frilled Neck Lizard vind je met enige regelmaat in Kakadu, de
Thorny Devil meer in het midden van het land, aan de rand van de weg na een
beetje regen).

 

Dan gaan we naar the Alice Springs Baby Kangaroo Rescue
Center. Het komt er op neer dat een chronische PVDD stemmer en zijn vrouw,
doodgereden kangaroos controleren op verstopte Joey’s in hun buidel. Als ze er
één vinden nemen ze hem/haar mee naar huis, waar ze de rol van de moeder
overnemen, tot de kangaroo groot genoeg is om weer in het wild te worden
gedropt. Wanneer ze de Joeys zouden achterlaten, worden ze levend opgegeten
door de Wedge Tailed Eagles, een stuk gevleugelte waar ik later meer over
vertel.

Het grootbrengen van zo’n Joey is een dagtaak. Ze vereisen
continue aandacht en voeding en zeker wanneer ze jong zijn, zijn ze altijd bij je.
Deze mensen gaan zelfs met de minderjarige kangaroos naar bed. Het kost drie
keer zoveel moeite om een Joey in leven te houden dan een baby. Gelukkig zijn Joeys
een factor duizend keer zo lief en schattig, waardoor de opoffering graag wordt
gemaakt. Dit ervaren we zelf, wanneer we om de beurt een kwartier lang met Amy
in de armen zitten.

Ik vond koala’s knuffelen al uiterst schattig, maar Amy in
mijn armen was nog vele malen meer vertederend. Ik weet niet of ik na dit
hoogtepunt van schattigheid ooit mijn hart nog kan openen voor ordinaire
viervoeters als honden en katten. De tijd zal het leren…

 

Na met pijn en moeite afscheid te hebben genomen van Amy,
beklimmen we met McSalads en een fles wijn Anzac Hill voor de zonsondergang,
uitkijkend over de stad. Het is inmiddels behoorlijk bewolkt geworden, dus we
verwachten er niet veel van. We zijn dan ook aangenaam verrast wanneer het aan
de Westelijke horizon helder blijkt te zijn en het aanwezige wolkendek dit tot
de mooiste zonsondergang die ik ooit heb gezien maakt.

Met de zon zakt het peil in de wijnfles en terwijl de lucht
haar ware kleuren laat zien besluiten wij dat Alice Springs ook zijn goede
kanten heeft. We zien hoe de huizen verdwijnen in tinten van verduisterend vuur
tot alleen de lichtjes achter de gordijnen overblijven. De fles is leeg en het
is tijd om terug te lopen naar het hostel…

 

Tijdens een verfrissende zwempartij in het nabijgelegen
zwembad ontmoet ook een tweede fles wijn zijn lot. En na ook zelf opgedroogd te
zijn dringt het besef door dat de twee dagen in Alice Springs alweer voorbij
zijn. De volgende dag komt mijn zon op ten zuiden van Alice Springs.

 

Alice Springs naar Adelaide

Het is half vijf en in stilte verwijder ik me uit de dorm
room waar ik me op dat moment in bevind. Beneden aangekomen werp ik nog een
laatste blik op de nog lege tour desk, voordat ik mijn tassen mee naar buiten
neem. Daar wordt ik verenigd met de overgeblevenen van mijn medereizigers,
alsmede een flink aantal nieuwe.

 

Vicky, onze enthousiaste nieuwe gids checkt ons in. We
merken tot onze schrik dat de bus helemaal volgeboekt is. Sterker nog, bij één
meisje is er iets misgelopen en zij kan niet meer mee en moet drie dagen
wachten op de volgende tour. Het resultaat van de drukte is een verdere
comfortreductie, terwijl er al niet bijster veel was om te reduceren.

Het gezelschap telt 24 personen. Nieuw in de verzameling
zijn onder andere een extra Nederlander, Stefan, een Sloveense dame Živa en een meute Canadezen op
leeftijd. Tevens wordt vanaf nu een aanzienlijke hoeveelheid ruimte en zuurstof
verbruikt door een jeugdige Britse dame die in haar constante schreeuw om
aandacht haar beperking aan intellect maar moeilijk verborgen kan houden. Ach,
het is niet per definitie een onsympathiek persoon, hoewel een nominatie voor
de Nobelprijs voor de vriendelijkheid in haar geval nog fictiever zou zijn dan
de prijs zelf. Wel heeft ze vanaf heden een duidelijke invloed op de sfeer,
waarbij ik geregeld moeite heb niet te reageren op de verbluffende anekdotes
die op luide wijze haar omvangrijke lichaam verlaten.

Eén voorbeeldje geeft wellicht een voldoende beeld van de
situatie. Haar eerste autobiografische verhaal, nog voor zonsopkomst, betreft
een boottochtje ergens aan de Oostkust. Uit angst voor zeeziekte had ze
zeeziektepillen aangeschaft, wat op zich een wijze beslissing is. Aanzienlijk
minder wijs was haar simplistische gedachtegang om het zekere voor het onzekere
te nemen en in plaats van één pil, vier pillen te slikken. Haar verbazing dat
ze van het reisje niet veel had meegekregen en ook de aansluitende drie dagen
in een staat van chronisch slaapwandelen verkeerde, was nog groter dan zijzelf.

 

Omdat er die dag 800 kilometer afgelegd gaat worden en ik
vrees dat het beschreven verhaal noch haar laatste, noch haar meest beschamende
is, ben ik blij dat ik de iPod heb opgeladen. Ik vouw mijn ledematen over de
schare van handbagage en probeer mezelf vergeefs in een staat van Enigma
geïnduceerde hypnose te brengen.

 

Na zo’n 350 kilometer wordt de bloedcirculatie in mijn
loopgestel hersteld, als wij bij King’s Canyon de bus verlaten.

King’s Canyon schijnt een prachtige, indrukwekkende Canyon
te zijn, maar helaas mogen wij hem alleen van onderen bezichtigen. Wanneer de
temperatuur boven de 36 graden ligt, wordt de wandeling naar de top namelijk afgesloten.
Dit komt omdat er elk jaar weer heel domme mensen zijn die zonder water, hoed
en zonnebrandmiddel en een week na een open hartoperatie aan de kilometerslange
klim beginnen en vervolgens op mysterieuze wijze plots dood neervallen. Vanwege
dit kleine groepje individuen, die door regelgeving tegen natuurlijke selectie
worden beschermd, mogen wij dus niet naar boven. Een hele teleurstelling voor
mij en velen van mijn oude reisgezelschap. Temeer omdat het met 37 graden voor
ons helemaal niet meer zo warm is, na Kakadu te hebben meegemaakt. Vicky is niet
te overtuigen ons toch te laten gaan en wanneer mijn oog mijn oor volgt en valt
op de gewichtige vertelster van het zeeziektepillenavontuur, besluit ik dat ze
hiermee een zeer carrièreverantwoorde keuze heeft gemaakt.

 

Vrij snel zitten we weer in de bus, op weg naar één van de
beroemdste symbolen van Australië: Uluru, ook wel Ayers Rock genoemd, vernoemd
naar een oud-premier van South Australia. Wellicht overbodig, maar het betreft
hier dus die grote rode rots (monoliet), die zo geinig van kleur verandert
naarmate de zon zijn gebruikelijk rondje aarde jogt.

Het is een bijzondere busreis. Sta mij toe een stuk uit
eigen werk voor te dragen, wat met moeite geschreven is in de volle bus, op het
hobbelige wegdek:

 

De Mount Connor Deceptie

Na uren van cardiologische
stabiliteit sloegen onze harten een slag over toen Martine “Uluru” riep, met
een vinger wijzend naar een discontinuïteit aan de horizon. Vervuld van
‘de-aanhouder-wint-emoties’ fixeerden wij onze blikken op de berg in de verte
die met het glooien van de weg op de horizon dobberde, als ware het een zon met
pleinvrees. Toen na een half uur deze metaforische angst overwonnen was en het
massief zonder obstructie van flora het netvlies vulde, kwam de bus tot
stilstand.

De bus stroomde leeg alsof er
achterin brand was uitgebroken en buiten werd het geologische fenomeen
strategisch onder camerakruisvuur genomen.

Een spirituele spanning hing
ongesneden in de lucht. “Ooh’s”, “aah’s” en andere klinkers echoden op de
telelenzen en de oudste Canadese post-pensioen-avonturier kon een orgasmisch
kreetje niet onderdrukken. Dit tot verwondering van haar echtgenoot, die dergelijke
vocalen van plezier sinds de eerste golfoorlog niet meer had waargenomen.

Nadat de geheugenkaarten een
ruime hoeveelheid vrijheid was afgenomen, kropen we uitermate voldaan weer
terug in de bescheiden schappen van de bus. Toen gids Vicky vervolgens breed
grijnzend informeerde wie van ons wel eens een ansichtkaart van Uluru had
gezien, maakte de geur van vreugdezweet plaats voor een walm van onraad.

Het bleek dat ons
toeristenritueel zich niet rondom Uluru, maar rondom Mount Connor had
afgespeeld. Als een stel zelfingenomen milieuactivisten na één milde winter
hadden wij de conclusie getrokken die we wilden trekken. De prijs voor deze
roekeloze daad: slijtage aan foto- en filmapparatuur en een misplaatst erotisch
hoogtepunt.

Desillusie was de grootste gemene
deler van ons aller gemoedstoestand. Alsof je na een nacht van beestachtige
seks in de ochtend ontdekt dat de ontvangende dame je verloren halfzus is, die
pa vergeten was te vermelden.

Desalniettemin; een puike rots!

 

Bovenstaand verhaal kent twee doeleinden. Ten eerste vertelt
het wat over Uluru look-alike Mount Connor. Ten tweede geeft het aan hoe saai
het soms in een overvolle bus van onkundige makelij kan zijn.

 

Later is het dan wel zover. Een rots in de verte wordt, na
vergelijking met foto’s in de Lonely Planet, tot de echte Uluru gedoopt en
langzaam komen we dichterbij. Zo’n twintig kilometer voor Uluru nemen we de
afslag naar Yulara, het lokale resort-dorp voor toeristen, alwaar wij voor de
komende twee nachten kamp opslaan.

We lopen een lokale duin van rood zand op en zien Uluru’s
kleur veranderen terwijl de zon ondergaat achter Kata Tjuta (The Olgas), welke
deze laatste omtovert in een welhaast getekende silhouet tegen een roodgele
achtergrond.

 

Na de avondmaaltijd bespreek ik met Stefan, een student
geneeskunde, de Nederlandse politiek, voor het eerst in vele maanden. Ondanks
dat we beide, vanwege ons langdurige verblijf aan de andere kant van de
planeet, maar amper op de hoogte zijn van het doen en laten van het nieuwe
kabinet, is het ouderwets Nederlands afgeven op de heren in Den Haag een
plezier. De goon die we onderwijl tot ons nemen geeft alleen maar meer stof tot
zeiken.

Wanneer we alle Nederlandse problemen onderling hebben
opgelost, kruipen we in onze swags voor een korte nacht.

_____________________________________________________________________

 

Als de klok vier uur slaat rollen we de swags weer op. Het
was de moeite van het uitrollen bijna niet waard. Bij wijze van
middernachtsnack dwing ik nog wat van die ellendige bejamde toast naar binnen
en al snel rijden we recht op Uluru af, terwijl achter ons de eerste stralen de
naderende zon verraden.

 

We rijden naar de zonsopganguitkijk. Naarmate we dichterbij
komen, slibt de weg dicht met toeristen en bijbehorende vervoersmiddelen.
Tientallen luxe touringbussen vol bejaarden blokkeren het uitzicht. Lakeitjes
met ontbijtdienbladen steken roekeloos de weg over om de aftakelenden nederig
van dienst te zijn. Dichterbij gekomen zijn de bussen nog hetzelfde, maar nu
gevuld met massa’s Aziaten die in blije cameratrance fanatiek elke landgenoot fotograferen.
Een volledig zinloze actie, want zo zien alle foto’s er natuurlijk volkomen
hetzelfde uit. Samenvattend kan er gesteld worden dat het een chaos van auto’s,
bussen en mensen is. Honderden toeristen staan nog voor 5 uur in het midden van
het land, vele honderden kilometers verwijderd van een goede
woningbouwvereniging. Nu had ik natuurlijk niet verwacht hier alleen te zijn,
maar hierop had ik ook niet gerekend, al is het alleen maar omdat ik niet tot
zoveel kan tellen.

Hoe dan ook, door wat kinderen en bejaarden opzij te
schuiven waden wij ons een weg naar een fatsoenlijk punt. We staan (en daarmee
bedoel ik iedereen) tussen de opkomende zon en de steen, om op die manier de
kleur van de rots te kunnen zien veranderen. Het is een geinig gezicht.
Verwacht geen Philips Ambilight effecten, maar binnen een half uurtje is er
best een aardig tintverloop, van donkerbruin naar lichtoranje. Goede foto’s
nemen is onmogelijk, want ik sta te dichtbij om het hele kreng op de plaat te
krijgen en wanneer ik een stukje terug zou lopen, beschiet ik pardoes de
populatie van een klein land.

 

Het is licht en iedereen gaat naar de volgende halte; Uluru
zelf. De laatste kilometer wordt in colonne afgelegd.

Onder aan de rots aangekomen worden we voor de keuze gesteld
tussen een rondje er rond heen lopen, of naar boven klimmen. Uiteraard is het
naar boven klimmen vele malen gaver en mooier. Helaas vinden de Aborigines dat
je daarmee geen respect voor hen en hun vreemde verhaaltjes toont. Er moet dus
een keuze worden gemaakt tussen het maken van een fantastische klim en netjes
zijn, door te doen alsof je respect hebt voor een klomp steen en de mensen die
voor die klomp steen zorgen door er zo af en toe een liedje tegen te zingen.

Om te voorkomen dat de oorspronkelijke bewoners van het land
straks met een pruillip en de armen over elkaar in een hoekje gaan zitten
mokken, besluit ik met lichte tegenzin om confrontatie en controverse te
vermijden. En terwijl ik begin aan mijn rondje, kijk ik met enige jaloezie naar
de polonaise van mensen die de berg op klimt, op weg naar een prachtig
uitzicht.

Het rondje is ook wel geinig. Het is zo’n 9,4 kilometer, dus
je bent er even mee bezig. Van dichtbij is Uluru niet meer zo glad en sensueel
als van veraf. Reusachtige kraters en gleuven tekenen de beroemde rots en vormen
daarmee de granietcellulitis die in de ansichtkaartjes wordt weggeschminkt. Kennelijk
is er de laatste jaren niet hard genoeg gezongen.

 

Na een uur of twee zijn we rond en weer terug bij het busje,
waar we worden verwelkomd met cake en sinaasappels. Ik ben nog een beetje
duizelig van de ronde, maar met wat extra moeite krijg ik de beschikbaar
gestelde cake en sinaasappel toch zonder knoeien in mijn mond.

Gezamenlijk lopen we naar het nabijgelegen cultureel
centrum.

 

Vrijwel alle culturele centra in Australië zijn hetzelfde.
Uiteraard gaan ze allemaal over Aboriginal dingen, want de Australiërs zelf
hebben als inwoners van een prefab nieuwbouwland natuurlijk nog geen cultuur.
De inhoud is voor iemand die geen antropoloog of diep geïnteresseerde is vrij
saai. Er staan stapels borden met een taaltje dat nog vreemder is dan Fins en
daarmee worden verzinsels uit de oudheid verteld. Dan hangt er nog een
uitgebreide collectie didgeridoos en boomerangs aan de muren en met nog een
collectebus en souvenirshop is je cultureel centrum compleet.

Dit centrum heeft nog een extra feature. Een heuse oude Aboriginal
man staat in zijn eigen taaltje een verhaaltje te mompelen. Gelukkig voor ons
staat er ook een Engelssprekende Australiër naast in een interessant ranger
uniform die net doet alsof hij de verteller kan verstaan en vervolgens ons
uitlegt waar de man het over heeft. Dit gaat ongeveer zo:

De oude man mompelt en neuriet wat, maakt soms een beweging
met zijn tong of lippen waardoor een iets ander geluid ten gehore komt en
beweegt een enkele keer enthousiast zijn armen. Het is een rasverteller en als
we een stoel hadden gehad hadden we op het puntje gezeten.

Na een minuut of vier, al lijken het er wel veertig, stopt
de man met zijn vreemde geluiden en kijkt hij de ranger verwachtingsvol aan.
Dit is zijn cue en je kunt zien dat ze hierop geoefend hebben. De ranger
‘vertaalt’ daarop de minutenlange monoloog door ons te vertellen dat het
zoontje van stamhoofd Djoetieboetjorgopjloerkjakja in de verte een slang zag.
Wat een compact taaltje is het toch, dat Engels.

De Aboriginal man begint aan een nieuwe discontinue
uitademing en na een aantal minuten neemt de ranger het wederom over. Om de
boel wat geloofwaardiger te houden, doet hij net alsof iets hem niet duidelijk
is en linguïstisch als hij is, vraagt hij de oude man ‘Pjlkjsriaaa?’, waarop de
oude man bevestigend ‘bjroequiplab’ slaakt. Zichtbaar tevreden met deze nieuwe
informatie vertelt de ranger dat de slang heel groot was.

Dit uitermate vermoeiende proces zien we zo een kwartiertje
aan. De beide heren blokkeren het bord waar het hele verhaal in een paar zinnen
staat opgeschreven, dus wanneer je wil weten hoe het afloopt met die
gevaarlijke slang, ben je gedwongen de komende uren te blijven staan. Gelukkig
is het verhaal absoluut niet spannend en vluchten we richting een bak koffie
bij de souvenirwinkel.

 

Dolgelukkig met mijn koffie kijk ik nog eens naar Uluru.
Absoluut een mooi stuk steen en heel bijzonder in zijn omgeving. Toch heeft het
mij niet zo kunnen betoveren zoals veel anderen dat hebben.

Misschien ligt dat aan de honderden Japanners die er voortdurend
met hun vieze voeten over heen lopen. Er schijnt een lijst van bergen te zijn die
een goede Japanner beklommen dient te hebben en op deze lijst staat Uluru bovenaan.
Dit is dan ook de reden dat er dagelijks directe vluchten tussen Tokyo en
Yulara zijn, om Boeings tegelijk in een dagtripje tot betere Japanner te maken.

Het kan ook liggen aan het feit dat mijn verwachtingen erg
hoog waren, dankzij alle verhalen van reizigers die wel gebiologeerd waren bij
het aanblik van de 348 meter hoge steen.

Maar meest waarschijnlijk ligt het aan het feit dat ik me
niet kan laten vangen in een waan van spiritualiteit. Als ik een oude tempel
zie, dan verbaas ik me over hoe knap dat is gebouwd. Als ik een bedevaartsoord
zie, zie ik mogelijkheden voor een goedlopend café op de route. Als je mij de
plaats laat zien waar volgens hele volksstammen Jezus, Mohammed, Boeddha, Mozes
en Pino gebroederlijk gearmd uit een gat in de grond omhoog zijn gekomen, vraag
ik me af of dat gat niet gevaarlijk is voor spelende kinderen. En als je mij
een reusachtige monoliet in een kale, platte, hete omgeving laat zien, dan zie
ik een geweldig natuurverschijnsel en dan verbaas ik me over hoe mensen hier
duizenden jaren vrijwel zonder water hebben kunnen overleven. Ik verbaas me
echter niet over het feit dat die mensen uit verveling verhalen zijn gaan
verzinnen over opperwezens en magische mollen die houtwormpje spelen in de
grote kei waar ze dinsdags omheen dansen. Laat staan dat mijn leven een diepere
betekenis krijgt bij het horen van die verhalen. Doe me dan maar een fijne film
of een goed boek.

 

Na een welverdiende lunch rijden we 25 kilometer naar Kata
Tjuta (betekent ‘veel hoofden’ in het Pintjantjajara). Kata Tjuta zijn 36 grote
stenen. Deze komen vaak een stuk hoger dan Uluru, tot een maximale hoogte van
546 meter. Het is een stuk minder bekend dan Uluru. Eén van de redenen is dat
professionele fotografie er verboden is en broer Uluru natuurlijk altijd
zelfzuchtig met de eer gaat strijken. Deze relatieve onbekendheid resulteert in
een relatieve absentie van toeristen en een bijzonder aangename verrassing van
natuurpracht.

 

We lopen Walpa Gorge binnen, tussen wat de twee hoogste
stenen lijken. Aan beide kanten steil, rood steen. Naarmate we verder lopen
komen de muren steeds dichterbij, tot ze uiteindelijk voor ons samenkomen.
Inmiddels drijven er stapels schapenwolkjes door de blauwe lucht, hetgeen het
beeld alleen maar mooier maakt. Wanneer je je omdraait en naar de ingang van de
gorge kijkt zie je in een gedwongen tunnelvisie hoe de glooiende leegte in een
horizontale lijn met de wolkenserie verbonden wordt. De afstand die je ziet is
onvoorstelbaar en door de rotsmuren enerzijds en de witte wolkjes in
streepjescodemotief anderzijds, lijkt deze afstand nog veel groter.

Mijn tip voor als je daar in de omgeving nog eens gaat
kijken: minder tijd rond Uluru en meer tijd rond Kata Tjuta. Helaas hebben we
maar tijd voor deze ene wandeling, want de zon gaat alweer bijna onder.

 

Mooi op tijd rijden we de zonsondergangparkeerplaats op en
scoren we een tafeltje met uitzicht op Uluru. Op onze ruggen voelen we de
laatste zonnestralen, regelmatig onderbroken doordat een grote bus ons in zijn
schaduw werpt. Het duurt niet lang of iedereen van de morgen heeft zich weer
bij ons gevoegd. Met honderden staan we te wachten tot de kleuren weer gaan
veranderen.

Om het proces wat te veraangenamen drinken we goedkope
champagne uit aluminium mokken. Vlakbij staat een bus-James een uitgebreide
variatie aan zeefruit te barbecueën, terwijl aan de andere kant kaviaar op
toastjes wordt verspreid. Je kunt zo’n tochtje Red Center zo duur maken als je
zelf wil.

Door een wolk voor de zon wordt Uluru korte tijd zwart, een
zeer bijzonder gezicht. Daarna begint de langzame transformatie over
verschillende tinten rood en oranje. Het heeft absoluut iets. Zodra de kleur heeft
belooft om weer een half etmaal stabiel te blijven, lopen we door het intens
rode zand weer naar de bus.

 

’s Avonds wordt er bij het eten opgebiecht hoeveel honderden
foto’s iedereen van één enkel stuk steen heeft gemaakt en na het eten wordt er
onder het genot van wat wijn nog wat shithead gespeeld, een populair
kaartspelletje onder backpackers. Ik haal met behulp van de Sloveense Živa mijn Slavische talen nog wat
op en kruip vervolgens rond een uur of tien tevreden in mijn swag.

_____________________________________________________________________

 

Het is alweer vier uur en daarmee tijd om op te staan. Half
slapend begin ik weer aan het ritueel van inpakken en toast verteren. Niet veel
later vouw ik me weer in de bus, voor 750 oncomfortabele kilometers.

 

Al snel (na een uur of drie) passeren we de grens. Niet
langer zijn we in the Northern Territory, maar in South Australia, waar de
meeste Duitsers van het land wonen en waar tevens de meeste seriemoordenaars
ter wereld vandaan komen. Toeval?

Het landschap is langzaam aan het veranderen. Het wordt nog
kaler en platter, maar blijft rood. In de verte aan de rechterkant slenteren
twee Willy Willy’s. Valkbij aan de linkerkant is een groepje Wedge Tailed
Eagles een aangereden kangaroo aan het verorberen. De Wedge Tailed Eagle is de
grootste roofvogel van Australia en schijnbaar de op één na grootste van de
wereld (na de Amerikaanse Condor). Zijn vleugelwijdte loopt op tot tweeënhalve
meter. Je ziet ze in grote getalen langs de weg, omdat daar in grote getalen
kangaroos en emus worden stukgereden. Het exemplaar waar ze zich nu op voeden
is momenteel gereduceerd tot een ruggengraat en een stukje staart. Wanneer we
vlakbij zijn nemen de vogels de vleugels. Dit gaat nog wel eens fout. Opstijgen
met zo’n lichaam is een sierlijk, maar traag proces en daarmee zit de Wedge
Tailed Eagle zelf ook in de roadkill risicogroep.

Na een paar foto’s van de vogels gemaakt te hebben rijden we
weer verder. In de verte trilt de warme lucht, waardoor het lijkt alsof we op
een grote grondspiegel afrijden.

 

Tegen het einde van de dag nemen we een kijkje bij de
Breakaways, net ten Noorden van Cooper Pedy. Lang, lang geleden was ongeveer
een derde van Australië bedekt met oceaan. De Breakaways is een stukje oude
oceaanbodem, die je vanaf het voormalige strand kunt bekijken. Je kijkt dus uit
over een immens dal bespikkeld met witte en rode heuvels. Het is een
indrukwekkend gezicht en dus ook geen toeval dat het de filmlocatie is geweest
voor vele films, zoals Mad Max 3, Red Planet en Pitch Black.

We dalen af en rijden een stukje door de stof van de
Breakaways. Na een tijdje komen we aan bij het langste hek ter wereld; the Dog
Fence (of Dingo Fence). Dit hek, 5300 kilometer lang, scheidt een immens stuk
zuid oost Australië af. Hier kun je dan, sinds 1880, veilig schapen houden,
zonder dat de dingo’s aan ze komen knabbelen.

Achter het hek ligt the Moon Plain, waar het vol ligt met
maansteen.

 

Niet veel later rijden we Cooper Pedy binnen. Cooper Pedy is
een heel bijzonder plaatsje. Het is gebouwd in het midden van ’s werelds
grootste voorraad opaal. Dit is dan ook waar het dorpje om draait. Mensen gaan
er heen om hun geluk te beproeven. Als je zestien jaar of ouder bent, kun je
een stukje grond kopen en daar gaan graven op zoek naar opaal. Als je geluk
hebt, vind je een stuk waar je 80000 dollar voor vangt, als je pech hebt, ga je
hartstikke dood omdat je tunnel instort. Het is een bijzonder gevaarlijk leven
en dat is te merken aan het dorpje.

Cooper Pedy is vrijwel wetloos. Elk gebouw daar, van
postkantoor tot supermarkt is wel eens opgeblazen door een dronken mijner, want
iedereen loopt er met dynamiet rond.

Niemand weet precies hoeveel mensen er wonen. Volgens de
belastingdienst 200, volgens de post 4000 en er zijn 47 nationaliteiten
vertegenwoordigd, geluk is immers afkomstonafhankelijk.

Het meest bijzondere aan Cooper Pedy is nog wel de
architectuur, of liever; het gebrek hieraan. De helft van alle inwoners leeft
onder de grond. Dit was vroeger de enige manier om de extreme temperaturen te
trotseren; tussen bijna 50 graden op een zomermiddag en stevige vorst in een
winternacht. Voor de rest geeft het plaatsje een redelijk smerige indruk.
Afgedankte mijnmachines liggen her en der en de huizen die niet ondergronds
zijn, zijn soms mooi, maar meestal roestende hutten. Het sfeertje heeft echter
wel wat.

 

We krijgen een tour door het opaalmuseum, waar we door de
gangen van een oude mijn lopen, een opaalader zien liggen en tenslotte het spul
kunnen kopen, voor prijzen tussen een tientje en een halve ton.

Voor het eten gaan we nog even ‘noodlen’: met de hand zoeken
naar opaal in een braakliggend veldje in het dorp. Eén van de meiden vindt een
klein stukje, ik alleen een stuk kwarts.

’s Avonds drinken we wat in de ondergrondse bar, iets waar
ik natuurlijk wel aan gewend ben. De ruige mijnwerkers zijn weer grenzeloos
gelukkig met de nieuw binnengebrachte vrouwen en doen hun uiterste best om
indruk te maken met Griekse danspasjes en gratis drankjes. De ongeschoren,
ongewassen en volgevreten verschijning van de meesten helpt ze natuurlijk niet.
Toch zijn er verhalen van onschuldige Duitse Helga’s die er verliefd zijn
geworden en er jaren hebben gewoond, op een dag rijden van de bewoonde wereld.

Na een paar pilsjes is het tijd voor de overnachting in een
uitgehouwen hostel.

_____________________________________________________________________

 

Om 5 uur stap ik de grot uit en de kou in. Er waait een
behoorlijk frisse wind. Vandaag staat er weer een lange rit van 700 kilometer
op het programma. Op zich geen pretje natuurlijk, maar de herverdeling van de
stoelen veraangenaamt dit aanzienlijk. Alex, mijn Duitse busbuurvrouw heeft de
twee stoelen achter de bestuurdersstoel weten te bemachtigen. Vanaf nu reis ik
met beenruimte en uitzicht door de voorruit. Het leven ziet er plots veel
mooier uit en ik had al niet te klagen over mijn levenskwaliteit als
Australië-toerist. Bij de opkomende zon verlaten we Coober Pedy.

 

Terwijl de kilometers geleidelijk achter ons worden gelegd,
verschijnen er steeds meer bomen in het kale landschap. Echt vruchtbaar oogt
het geheel nog steeds niet, maar het is merkbaar dat we langzaam schapenland
inrijden. Het dingohek zijn we al gepasseerd, maar sinds zijn bouw in 1880 is
regen steeds zeldzamer geworden, waardoor de schaapgeïnduceerde
vruchtbaarheidsgrens honderden kilometers naar het zuiden is verschoven.

Na een uur of drie gereden te hebben pauzeren we bij Lake
Hart. Dit is één van de vele salt lakes die South Australia rijk is en de
eerste die ik ooit heb gezien. We steken de Ghan over en stappen op het ‘meer’,
dat niks meer is dan een reusachtige witte zoutkorst die in honingraatstructuur
gebarsten is. Elke stap die je zet klinkt alsof je door de ribbelchips loopt.
De witte vlakte reikt zover het oog kan kijken, het is echter niet verstandig
om te ver door te lopen, want verderop gebruikt het leger de vlakte om
explosieven te testen.

Ik maak nog wat foto’s met de Koreanen en dan verruilen we
het witte zout weer voor de rode aarde. Een indrukwekkend fenomeen, die salt
lakes. De laatste restjes van de prehistorische oceaan.

 

Verderop vinden we een flinke Sand Goanna langs de rand van
de weg. Vicky en ik proberen hem te vangen, zij met haar handen en ik met mijn
camera. Helaas faleb we beide jammerlijk. De Goanna rent op indrukwekkende
wijze op de achterpoten met een verbazingwekkende snelheid weg. Wij blijven
beteuterd achter, met slechts de staart van het beest in een hoekje van de
foto.

 

Nog wat later rijden we langs het plaatsje Woomera. Dit is een
gehucht dat naamsbekendheid heeft gekregen door het militaire testterrein
ernaast, the Woomera Prohibited Area, dat met een oppervlakte gelijk aan die
van Engeland de grootste ter wereld is. Vanaf hier wordt er sporadisch wat de
ruimte in geschoten, maar de plek is beruchter door zijn rol als testgrond voor
nucleaire wapens. Sinds de jaren vijftig zijn er zes atoombommen tot
ontploffing gebracht. De heren autoriteiten waren alleen vergeten de locale
Aboriginal bevolking hierover een memo te sturen…

Het plaatsje staat dus niet echt het symbool voor gelijke
mensenrechten. Ook niet omdat het tot voor kort ook de plek was waar Australië
zijn asielzoekers bewaarde.

 

We rijden verder. De bomen hebben ons weer even verlaten,
maar ter compensatie zien we hier en daar een stukje salt lake. Sommige van die
meren hebben een beetje water in zich, wat resulteert in prachtige kleuren,
alles tussen geel en paars in. Ook de Ghan laat zichzelf hier en daar zien en
zo waar steekt daar mijn eerste wilde emu over. Er zullen er nog vele volgen.

 

En dan, plots, zijn wij weer in de bewoonde wereld. Port
Augusta heet ons welkom met een blik op de oceaan, of eigenlijk de Spencer
Gulf, die verbazend ver het land binnendringt. Met 13000 inwoners voelt het
alsof we een bruisende metropool binnen zijn gereden, hoewel we na de eerste
schokkende vijf minuten wel door beginnen te krijgen dat het nogal een saai
stadje is. Hoe dan ook, het is goed genoeg voor de lunch, in een
aller-lieflijkst parkje met speeltuin.

 

Port Augusta ligt 309 kilometer boven Adelaide, maar het is
voor ons het einde van de Stuart Highway. Vanaf nu gaan we een stukje naar het
noordoosten, de Flinders Ranges in. Daar zullen we de komende dag doorbrengen,
alvorens met binnenweggetjes de laatste zeshonderd kilometer naar Adelaide af
te leggen.

 

De Flinders Ranges is één van de oudste bergketens ter
wereld en de grootste van Australië (niet de hoogste, het hoogste punt van de
Flinders Ranges is slechts 1170 meter, terwijl de hoogste berg van Australië
Mount Kosciuszko is in de Snowy Mountains met 2228 meter hoogte).

We rijden door de heuvels waar asfalt en sfeervolle
onverharde wegen elkaar afwisselen. De omgeving is prachtig. Plots staat het
vol met bomen en zelfs gras en overal waar je kijkt zie je wilde kangaroos en
emus. De paar dorpjes waar we doorheen rijden zien er authentiek uit en ademen
pure gezelligheid. Dit is zeer zeker een mooie omgeving om in te wonen.

 

De eerste stop is een grot met Aboriginal tekeningen. Grot
blijkt een beetje overdreven te zijn, het is eigenlijk gewoon een inhammetje in
een rots waar wat strepen op zijn getamponneerd. Volgens Vicky is de plek als
klaslokaal gebruikt.

Wat ik dan weer interessanter vind is de zeldzame Yellow
Footed Rock Wallaby die we zien langs springen. Rock Wallabies zijn erg cool,
omdat ze met enorme snelheid en precisie door de rotsen heen springen. Geen
berggeit die daar mee kan concurreren.

 

In het laatste stukje tussen de ‘grot’ en etappe-eindpunt
Rawnsley Park rijden we langs een soort dijkje die zich aan onze linkerkant
bevindt. Vlak voor de bus zien we een paar Euros, een plaatselijk merk
kangaroo. Het betreft moeder en kind. Moeder doet wat ze altijd doet en hopt
vlak voor de bus zorgeloos de weg over. Kind besluit zich uit te sloven en
springt vanaf het dijkje met een reusachtige sprong praktisch over de bus heen.
Een applausje waard.

Even later komen we aan op de camping Rawnsley Park. We
hebben geen kangaroos of emus aangereden, al scheelde dat zo af en toe niet
veel. Bijzonder intelligent zijn die beesten niet.

 

Voor zonsondergang rennen we snel de heuvel op. Het uitzicht
is absoluut mooi, hoewel de zonsondergang zelf nogal tegenvalt. Het wekt in
ieder geval de eetlust op.

Terug beneden aangekomen heeft Vicky met wat hulp weer een
prachtige maaltijd bereid. We eten en drinken wat en sluiten de avond af met
een hilarisch potje Pictionary.

_____________________________________________________________________

 

Vandaag mogen we maar liefst tot zes uur in bed blijven
liggen. Het was een koude nacht, maar het begint langzaam weer op te warmen. We
hoeven vandaag niet ver te rijden, dus hebben we meer tijd om van de omgeving
te genieten.

 

Na een korte rit staan we aan de voet van de 941 meter hoge
Mount Ohlssen-Bagge. Een stevige klim van 2,5 kilometer staat tussen ons en een
werelds uitzicht over de Wilpena Pound en goedgemutst en dito geluimd beginnen
we aan de tocht.

Na een klein uurtje staan we met een subgroepje boven. Velen
zijn nog onderweg en sommigen zijn halverwege afgehaakt. Het uitzicht is
fantastisch. De berg heeft op de top the Wilpena Pound; een soort krater
(hoewel niet vulkanisch). Deze natuurlijke kuil werd vroeger gebruikt om
schapen in te bewaren, die konden immers door de steile wanden niet ontsnappen.
Het is behoorlijk groot; een indrukwekkend gezicht.

De andere kant op kijkend zie je tot aan de horizon de
heuvels en rotspartijen van de Flinders Ranges. Het prachtige uitzicht doet me
een beetje denken aan Frankrijk.

De wind op de top zorgt voor een aangename verkoeling en ik
besluit wat rond te klimmen. Geruime tijd vermaak ik me met foto’s maken in
pogingen tot creativiteit. Ik kom een schattig salamandertje tegen die
vriendelijk voor de foto poseert en klim nog wat over en door de rotsen. Na wat
leuke plaatjes besluit ik weer terug naar beneden te gaan.

Vreemd genoeg heb ik een plotse vlaag van energie die mij
naar beneden doet rennen in plaats van lopen. Hier en daar is het nogal steil,
dus moet er soms omwille van gezondheidsconservatie wat vreemd gesprongen
worden, maar het gaat allemaal lekker vlotjes. Om niet al te snel beneden aan
te komen laat ik me door allerhande zaken afleiden. Zo wacht ik een tijdje bij
een spinnenhol om te kijken of er wat engs uitkomt en achtervolg ik een echidna
die zich met doodsangsten onder een steen probeert te graven.

Weer beneden beloon ik mezelf voor de sportieve prestatie
met een koud biertje en er wordt bijzonder rijkelijk geluncht. Een goede
afsluiting van een geweldige klim.

 

Na de lunch hebben we 130 kilometer te gaan. Op zich niet
veel, maar het is een scenische route waar niet al te snel gereden kan worden.
Des te beter, want dan kunnen we beter van het uitzicht genieten. Rond ons heen
zijn weer enorme hoeveelheden emus en kangaroos. Binnen korte tijd vinden we zowel
een Bearded Dragon als een Shingleback Lizard langs de kant van de weg. Beide
worden door Vicky gevangen en door ons geaaid en gefotografeerd.

De Bearded Dragon heeft allemaal kleine stekeltjes rondom
zijn hals die als het ware een beetje op een baard lijken. Wanneer hij
chagrijnig wordt, doorgaans wanneer een gids hem op de arm legt, zet hij zijn
baard op ter vergeefse verdediging en intimidatie.

De Shingleback Lizard is nog grappiger. Zijn superkracht van
levensverdediging is een verhoogde kennis van statistiek. Zijn kop en staart
lijken vanaf een afstandje precies op elkaar en zelfs aan de poten kun je niet
zien in welke richting het voedsel door het lichaam gaat. Door deze symmetrie
hoopt de Shingleback Lizard dat een aanval van bijvoorbeeld een roofvogel
slechts de staart verwond, in plaats van het hoofd. Die komt er wel…

 

Als we een stukje verder door een kloof rijden stoppen we
bij een steile rotswand. Hier leeft een groep Yellow Footed Rock Wallabies. Hun
camouflage is vrij goed, maar na een tijdje oefenen kunnen we er toch
verschillende zien. Mijn camera laat me weer eens in de steek en fatsoenlijke
foto’s blijven uit.

 

Nog iets later rijden we de Flinders Ranges helaas weer uit.
De overgang is ontzettend abrupt. Opeens is het decor veranderd van
heuvelachtig en vol van flora en fauna tot leeg, kaal en plat.

Al snel rijden we Parachilna binnen. Dit is een plaatsje
waar maar liefst vijf mensen wonen. Wel is er een hostel en een kroeg, zodat
groepjes toeristen en road train chauffeurs de populatie al snel verveelvoudigen.

Langs Parachilna loopt een spoorlijn waar de langste trein
met enkele locomotief ter wereld rijdt, met 2.5 kilometer lengte. Op het kleine
perron maken we wat geinige silhouetfoto’s tegen de ondergaande zon. Daar waar
de zon ondergaat is het onvoorstelbaar plat, terwijl aan de andere kant de
omtrek van de Flinders Ranges de horizon siert.

 

We eten die avond een mixed grill van kangaroo, emu en
kameel. Dit keer zit de kameel in een worst gedraaid zodat hij makkelijker
ingebracht kan worden, maar het blijft slecht vlees.

Gedurende de emu burger kondigt een kleine aardbeving de
komst van de trein aan. Het is het hoogtepunt van het leven in Parachilna en
dat tweemaal daags. Omdat je de enige bezienswaardigheid van het dorp toch niet
aan jezelf voorbij mag laten gaan stormen we naar buiten om het schouwspel te
bewonderen.

Tweeënhalve kilometer trein is behoorlijk saai. Na de eerste
honderd meter verandert er eigenlijk verdacht weinig. Afijn, we willen ook niet
onbeleefd zijn, dus we blijven nog ruim vijf minuten tot de bak herrie en oud
ijzer voorbij is, alvorens tot de orde van de avondmaaltijd over te gaan.

 

’s Avonds drinken we wat pilsjes in het café dat zijn eigen
bier brouwt: Fargher Lager. Het is het bijzonderste bier dat ik in Australië
heb gedronken, maar daarmee zeker niet het beste. Op het terras wordt een
vuurkorf aangestoken en later wordt er wat prima gitaar en zang verzorgd.
Ondanks de leuke muziek slaat rond middernacht de vermoeidheid toe en begeef ik
me richting bed.

_____________________________________________________________________

 

Ongekende luxe: uitslapen tot zeven uur! Ons aller fitheid
is onbeschrijflijk en vol enthousiasme duwen we onszelf weer de bus in voor de
laatste zeshonderd kilometers van onze tocht door midden Australië.

 

We rijden met aan de rechterkant enorme hoeveelheden niks en
aan de linkerkant de majestueuze Flinders Ranges. Pas na een paar honderd
kilometer begint het langzaam groener te worden.

We rijden wijnland binnen en in de Clare Valley stoppen we
voor een wijnproefsessie. Deze is helaas al even belabberd als dat hij snel is.
Zonder enige uitleg spoeden we door vijf bodempjes wijn heen en daar moeten we
nog voor betalen ook. Dat gaat in de Hunter Valley wel anders. We kijken nog
even rond en vervolgen vervolgens onze weg weer.

Rondom ons glooien de weilanden en we komen dieper en dieper
in de beschaving en dan is daar plots de ommekeer: de eerste stoplichten in
duizenden kilometers. We zijn Adelaide binnengereden.

 

In Adelaide worden we bij het hostel gedropt en na nog een
gezamenlijke maaltijd en een paar drankjes is de tour dan echt voorbij. Het
centraal doorkruisen van Australië in veertien dagen met zesduizend kilometer.
Het was bijzonder.

_____________________________________________________________________

 

Mijn uitslaapplannen worden om kwart over zeven bruut
verstoord door het openen van mijn ogen. Na een paar weken met de nachtcyclus van
een agrariër met insomnia is buitengewoon bedliggen kennelijk onmogelijk geworden.
Dit is maar beter ook, want ik heb slechts een paar uur om Adelaide te
verkennen, voordat ik om drie uur per vliegtuig weer van deelstaat verhuis.

 

Met de Duitse Alex en Nederlandse Stefan struinen we door de
hoofdstad van South Australia. Het is een stad met ruim een miljoen inwoners en
wordt gekenmerkt door de grote hoeveelheid parken. Waar Eindhoven een
binnenring heeft lopen, heeft Adelaide er eentje aangekleed met een reusachtig
rondje groen.

Het centrum doet gemoedelijk aan. De Universiteit is een
mooi oud gebouw en behalve wat wegwerkzaamheden ziet alles er vrij netjes uit.

We slenteren door de Botanical Gardens, waar de
rozenpartijen indrukwekkend te noemen zijn. Vervolgens bezoeken we the National
Wine Center. Dit is een bijzonder geinig opgezet wijnmuseumpje waar interactie
voorop staat. Helaas is de interactie alcoholvrij, maar de geurkastjes en
wijnboersimulaties zijn leuk genoeg om ook nuchter een kwartiertje aan te
wijden.

Via een te lange en licht saaie wandeling langs de
noordoever van de Torrens River, welke beter Torrens Ditch had kunnen heten, en
langs de varkensbeelden in de winkelstraat, komen we weer aan bij het hostel.
Daar zeg ik vaarwel, grijp ik mijn tas en een bus naar het vliegveld. Op naar
de volgende en tevens laatste fase van mijn reis.

 

Ingecheckt, geboard en gegespt zit ik in de vliegmachine.
Het gevleugeld overbruggen van de 2500 kilometers tussen Adelaide en Perth
duurt zo’n tweeënhalf uur en ik besluit de tijd te doden met het schrijven van
wat ansichtkaarten en hersenspinsels:

 

De vlucht Adelaide → Perth: Luchtige
overpeinzingen

Daar zit je dan, in stoel 1c van
een Boeing 737-800. Lezers met veel vliegervaring en mensen met een zeldzame
sociale afwijking die leidt tot vliegtuigspotten en andere banaliteiten, weten
dat dit de stoel is waarbij de geneugten van extra beenruimte slechts worden
overtroffen door de plezierigheid van uitzicht op de dijbenen van kortgerokte
stewardessen, recht tegenover. Helaas voor mij is één van de stewardessen van
de mannelijke sekse en van twijfelachtige geaardheid en is het overige
vluchtpersoneel elders kinderen aan het kleuren.

Op dit soort momenten dwaalt het
brein af en begint de rechterhand op inktige wijze uit de nek te zwammen, waar
de nek van de hand zich dan ook moge bevinden…

 

In mijn laatste schrijven op de
weblog stipte ik mijn ongenoegen al aan over mijn naderende vertrek uit
Australië. Hoewel ik met enthousiasme uitkijk naar hereniging met familie,
vrienden, haring en Bavaria, doet de gedachte aan mijn onvermijdelijke
scheiding van Australië en al het prachtige dat zij mij heeft gebracht, mijn
anders zo frivole gemoedstoestand verdrinken in depressie en melancholie.

Daar ik, godzijdank, geen Gerard
Reve ben, heb ik wat problemen om deze emotiecontrasten op passende wijze onder
woorden te brengen. Laat ik een poging doen met een bijzonder vergezochte
vergelijking.

 

Visualiseer een vrouw met een
kinderwens. Ik noem haar Truus. Truus heeft zojuist haar spiraaltje uit haar
symmetrisch geharste venusheuvel verwijderd. Met de naderende ovulatie gieren
hormonen en gedachten door lichaam en geest.

Enerzijds is daar het
vooruitzicht op een kleine (het kind, niet de verwekker). Anticipatie op hun
eerste ontmoeting, op het vervelen van anderen met eindelozen verhalen over het
kind. De verrassing van de sekse en de eerste stapjes.

Anderzijds daagt het besef dat
samen met het spiraaltje, ook het avontuurlijke, jeugdige leven wordt
weggegooid. Niet langer onbehoorlijk dronken worden, niet langer flirten met de
kebabverkoper. Het einde van verrassende seks en de laatste keer stappen.

Het besef dat na de eerste twee
Pampers de lol er ook wel weer vanaf is en het vooruitzicht op het postnatale
surplus van huid, drijven Truus bijna naar de vuilnisbak voor spiralistische re-integratie.

 

En zo zit dat bij mij ook
ongeveer. De academische klok tikt. Ik ben vol enthousiasme over de eerste twee
weken van hereniging en goed smakend drinkwater, van foto’s showen en verhalen
vertellen. Aan de andere kant besef ik dat de tijd die ik hier in Australië heb
gehad, met alle nieuwe vrienden en ervaringen, over twee weken onomkeerbaar
wordt afgesloten. Tel hierbij op dat alles na de eerste twee weken thuis weer
zo zal zijn als het altijd al was en ik grijp bijna mijn telefoon om mijn
retourvlucht voor de zoveelste keer uit te stellen.

Uiteraard is de vergelijking met
Truus belachelijk. Zeer waarschijnlijk veroorzaakt door de hallucinerende
dampen van de kinderschmink die recht tegenover mij een lelijk kind in een
mini-Spiderman verandert. Daarnaast is het hele Truus verhaal op zich ook nogal
ongeloofwaardig. Immers, hoe kun je met een naam als ‘Truus’ ooit iemand van de
mannelijke sekse tot gemeenschap verleiden?

 

Maar zoals gezegd; ik ben Gerard
Reve niet en koester geen enkele aspiratie tot gelijkenis anders dan van banksaldo.
En terwijl het vliegtuig zich overgeeft aan de zwaartekracht, nu Perth op een
boemerangworp afstand ligt, besef ik dat ik succesvol de tijd heb gedood, zij
het met minder naakt dijenvlees dan gewenst…

 

Perth

In de shuttlebus die mij naar mijn hostel brengt zit een
meisje dat er nogal Nederlands uitziet. Als zij bij hetzelfde hostel uitstapt
blijkt schijn niet te bedriegen. Ze heet Saskia. Samen eten we een hapje bij
een nabij gelegen semi-fastfood-restaurant en slikken we wat pils in een
nabijer gelegen Irish Pub.

 

In de Irish Pub zijn alle Ieren verjaagd door een groep
dronken Amerikaanse mariniers. Het is mooi om te zien met hoeveel bezieling
deze mensen de laatste restjes goede reputatie van het Amerikaanse volk
volkomen de grond in stampen. De lucht voelt dik aan door de overdadig
aanwezige ongeraffineerde geluidsgolven en de ongesneden spanning van
vechtpartijtjes en aanrandingen.

Mijn persoonlijke missie om bij checkpoint bravo bier te
vergaren ter bevoorrading van het Nederlands pilsfront loopt in een jammerlijke
Amerikaanse hinderlaag. Ik wordt overmeesterd; drie tegen één. Het kruisverhoor
is slopend.

Eén adolescent blijft mij voortdurend vragen hoe ik heet en
waar ik vandaan kom. Hij is duidelijk een veteraan in deze bar, ik herken het
aan zijn veteranenziekte. Hij is nauwelijks in staat om op eigen krachten op
zijn benen te blijven staan en doordat hij alle concentratie nodig heeft in
zijn strijd tegen de gravitatie, is hij niet in staat mijn antwoorden te
verwerken, waardoor de vragencyclus voortdurend wordt herhaald. Soms vertelt
hij tussen de vraagherhaling door dat hij drie jaar in Irak heeft gediend en nu
op verlof is, alvorens naar huis te keren. Iedereen weet immers dat de snelste
vaarroute van Irak naar Connecticut via Perth is…

De tweede persoon verkent de omgeving. Extra aandacht wordt
hierbij besteed aan de heuvelgebieden van de barvrouwen. Kennelijk verwacht hij
dat er elk moment een boze moslim tevoorschijn kan komen uit sector dubbel C of
uit depot Venus.

De derde persoon probeert informatie los te peuteren door
mij te drogeren. Ik wordt gedwongen verschillende glazen bier te ledigen of ik
zal mijn vaderland nooit meer terugzien. Wanneer ik dapper de sterke drank
weiger dreigt hij Saskia te bierbombarderen. Escalatie lijkt onvermijdelijk en
door de opgedrongen alcohol begint overlopen er steeds aanlokkelijker uit te
zien. Met mijn laatste krachten verman ik mij en trek ik alle diplomatieke
middelen uit de kast. Ik vertel ze dat mijn inlichtingendienst heeft gehoord
van een naderende invasie uit sector dubbel C en terwijl de drie
modelmilitairen hun posities rond de bar innemen, sluip ik, met twee
Amerikaanse biertjes, terug naar het thuisfront.

_____________________________________________________________________

 

Ik word wakker in een kleine rommelige kamer met zeven
andere kerels, een deel ervan stinkend. Wat betreft hostel is dit niet echt
geweldig, maar dat is meestal zo in de grote steden. Ach, het is maar voor drie
nachtjes en dan kan ik weer op pad, maar eerst nog even de stad bekijken.

 

Ik kom Saskia weer tegen bij de receptie en we besluiten
samen een rondje Perth te maken. Bij het verlaten van het hostel blijkt het
weer niet mee te zitten. Het is met zo’n vijfentwintig graden behoorlijk fris
en het miezert. We beginnen aan een wandeltocht zoals voorgeschreven door de
Lonely Planet; de reizigersbijbel.

We lopen door de torens van het centrum naar de oever van de
Swan River, waar the Swan Bell Tower fier over het water kijkt. Er wonen in en
rond Perth, de hoofdstad van Western Australia, zo’n anderhalf miljoen mensen,
dus aan hoogbouw is geen gebrek, zoals eigenlijk in alle grote Australische
steden.

Het is modern en gemoedelijk en het lijkt alweer de
zoveelste prima plaats om te wonen. Toch kan het me niet echt enthousiast krijgen.
Het weer en mijn vermoeidheid dragen hier misschien aan bij, maar ik merk ook
dat ik een beetje stedenmoe ben geworden. Na Utopia’s als Sydney en Melbourne
heb je de mooiste steden van het land wel gezien. Daarna begint het allemaal
enigszins op elkaar te lijken. Elke stad van betekenis heeft een rivier,
allemaal hebben ze wolkenkrabbers in het centrum en allemaal zijn ze modern en
vriendelijk. Voor een toerist is het vooral het binnenland wat dit tot zo’n
prachtig continent maakt, na natuurlijk het gebruikelijke rondje Sydney. Hoe
dan ook, die stedenmoeheid bevalt me wel enigszins. Het is een goed teken met
betrekking tot mijn naderende vertrek.

Moe of niet, we lopen door naar Jacob’s Ladder die ons in
het hoger gelegen King’s Park brengt. Dit is wederom een prachtig park met een
geweldig uitzicht over Perth. Het centrum, Swan River, Suburbia aan de andere
oever, het is toch wel weer een mooi gezicht.

Er ligt een stapel bloemen bij een gedenksteen die blijkt te
gaan over de aanslagen in Bali. Er ligt een brief bij van een jongen die door
die aanslag in één keer zeven vrienden verloor. Dat is nog een heel stuk
indrukwekkender dan het uitzicht over Perth, helaas op een heel andere manier.

We maken het rondje af, besluiten dat het een prima plek is,
maar dat we er geen week hoeven te blijven en gaan voor de rest van de middag
onze eigen weg.

 

De rest van de dag zit ik wat op Internet, stuur ik wat
kaartjes en lees ik een aardig stukje boek. De grote gemene deler in deze is
uitrusten en lamballen. Het is een aangename afwisseling op de laatste weken
van gejaagde sightseeing, maar ook een beetje onwennig. Ik boek een Whale
Watching Tour. Wekenlang heb ik in Newcastle hetzelfde geprobeerd, maar steeds
kwam het er niet van en dit lijkt mijn laatste kans om de Humpback Whales
(Bultrug walvis) te gaan bekijken.

Na genoten te hebben van The Bourne Ultimatum gedurende een
bioscoopbezoekje, keer ik terug naar mijn kamer, waar zeven andere kerels, een
deel ervan stinkend, al weer luidruchtig liggen te slapen.

_____________________________________________________________________

 

Kort na het opstaan wordt ik gebeld door het bedrijfje dat
mij naar de walvissen zou brengen. Het gaat vandaag niet door, vanwege een
ongunstige wind/tijcombinatie. Deze zoveelste mislukte poging komt nauwelijks
als een verrassing; het lijkt erop dat de walvissen mij echt niet willen zien.
Het goede nieuws is dat ik nu wel tijd heb voor het alternatief en dat is een
bezoekje aan Freemantle, een lieflijk klein plaatsje een paar kilometer ten
zuiden van Perth.

 

De trein brengt me in twintig minuutjes naar de plaats van
bestemming. Net voordat het station van Freemantle wordt bereikt, zie ik buiten
een paar reusachtige fregatten liggen, met een overdaad aan Amerikaanse
vlaggen. Ik zal op mijn hoede moeten zijn om niet weer in een alcoholhinderlaag
lopen.

Terwijl ik door de straten van Freemantle loop, word ik me
gewaar van een vreemde sensatie. Dit plaatsje doet me warempel denken aan
Terneuzen gedurende de Havenfeesten. De grootte van het stadje is vergelijkbaar
en het is er allemaal enorm nautisch. De gebouwen zijn allemaal wat ouder en
sfeervoller en ik zou zweren dat ik verse haring ruik, hoewel ik weet dat dat
onmogelijk is.

 

Er zijn stapels musea in het toeristische Freemantle en ik
bezoek het Ship Wreck Museum, dat gratis is. Dit kleine museum is geweldig en
al helemaal voor een Nederlander. Het is in feite één grote ode aan de
Nederlandse zeevaart en de VOC.

De gehele Westkust van Australië is ontdekt door
Nederlanders, ruim honderd jaar voordat Captain Cook het continent bezocht.
Veelal wisten de Nederlanders niet dat het een nieuw continent betrof en anders
interesseerde het ze niet. Men was namelijk altijd op zoek naar Jakarta (toen
nog Batavia geheten) en het bereiken van de gevaarlijke en onaantrekkelijke
Westkust van Australië betekende dat ze de afslag hadden gemist. Hierdoor ligt
de Westkust bezaaid met scheepswrakken, het merendeel Nederlands.

Het beroemdste wrak is van de Batavia, waar een deel van de
bemanning het zowaar heeft overleefd. Het verhaal is bijzonder, met muiterij en
gruwelijkheden en het resulteerde in twee bannelingen die de eer hadden om als
eerste Europeanen te leven en te sterven op het Australische vasteland. Eén van
de twee skeletten is te zien in het museum. Een landgenoot dus, zij het een
ongemanierde vlerk die heeft gemuit en gemoord.

Niet alle verdwaalde schepen zijn vergaan en hier en daar is
men aan land gegaan ter verkenning. Hierdoor zie je vele Nederlandse
plaatsnamen in Australië, met name aan de Westkust. Het museum doet over deze
zaken uitgebreid verslag met vele Nederlandse geschriften, schilderijen en
verhalen. Boven staan bakken met oude rijksdaalders, omringd met VOC vlaggen en
in een ander deel staat een stuk van de Batavia.

 

Trotser op mijn afkomst dan ooit tevoren wandel ik nog wat
door Freemantle en Perth alvorens ik vroeg mijn bed inkruip. De volgende morgen
verlaat ik deze plaats en begin ik aan een tiendaagse tour langs de Westkust.
De Nederlandse ontdekkingsreis duurt voort.

_____________________________________________________________________

 

Perth naar Broome

Om zes uur gaat de wekker en begint een nieuwe periode van
vroeg opstaan. Ik zwaai de stinkerds vaarwel en verlaat de veel te krappe
kamer. Na een fruitontbijtje verlaat ik het hostel en neem ik plaats aan de
overkant van de straat waar ik weldra zal worden opgehaald. Ik maak er kennis
met een aantal bijzonder aantrekkelijke dames en verheug me al op de krappe
busritjes. Helaas blijken zij precies dezelfde tour met een andere maatschappij
te gaan doen en ik zwaai ze uit terwijl ze door een dikke testosterongedreven
gids door het verkeer van Perth worden gereden.

Niet veel later komt de bus van Western Xposure. Onze gids
blijkt Jess te zijn en dat is goed nieuws. Alex en Vic hadden me gedurende de
trip door het midden des lands al veel fantastische verhalen verteld over de
trip met Jess.

Ik stap als één van de eersten in en met mijn voorkennis
grijp ik direct de beste stoel; direct achter Jess. De bus stroomt langzaamaan
helemaal vol met mensen die allemaal ouder zijn dan ik. Een bijzondere
ervaring, met vierentwintig jaren de jongste zijn. Dat was aan de Oostkust wel
anders. Gelukkig zijn de meesten maar een beetje ouder, maar het blijft een
teleurstelling na het eerdere aanblik van de samengeschoolde borstjes op het
trottoir.

 

Als we Perth uitrijden stelt iedereen zich om de beurt voor.
De Nederlanders blijken weer in de meerderheid: vijf van de eenentwintig passagiers.
Met nog een extra Vlaamse is het Nederlands hiermee de tweede taal. De Engelssprekenden
staan met negen mensen op de eerste plaats, met drie Britten, twee Ieren en
vier Ozzies, waaronder Jess. De derde plaats is onmiskenbaar voor de
Duitssprekenden met vier Duitse dames en een Zwitserse kerel en een Deense
blonde en Frans-Zwitserse schone maken de bus vol.

 

We zijn op weg, we hebben 664 kilometers te gaan. Al snel
maakt Jess haar reputatie waar als ze, bij het wachten voor wegwerkzaamheden,
het zeer toepasselijke en hilarische nummer “They’re digging a hole in the
road” draait. Dit soort muzikale ondersteuning kunnen we nog tien dagen
verwachten op de meest opmerkelijke momenten.

Na een paar uur rijden komen we aan bij de eerste attractie:
The Pinnacle Desert. Dit is eigenlijk een flinke partij duinzand waar duizenden
langwerpige stenen in permanente erectie de toeristen vermaken. Het is een
aardig gezicht, zeker omdat het er echt heel veel zijn. In de verte zie je een
tweetal kleuren zand samenkomen, donkergeel en spierwit.

Het weer is nog niet echt lekker. De bewolking en het koele briesje
zijn suboptimaal. Erger is de extravagante hoeveelheid vliegen. Kakadu was erg,
Uluru was erg, maar ze vervagen beide vliegkwantitatief bij wat er nu rond en
in mijn hoofdholtes zoemt.

We ontvluchten de vliegen en stappen weer in en het duurt
niet lang of een tweede attractie ligt provocerend op de weg. Vlak voor ons
ligt een slang ons uitdagend aan te kijken. We stappen uit voor de broodnodige
foto’s en de slang doet leuk mee met het aannemen van een aanvallende pose.
Vriendelijk als wij zijn, jagen we het beest met wat takken de weg af, hetgeen
bevorderlijk is voor zijn houdbaarheidsdatum.

Het is een donkere slang met een zwart hoofd. Ik heb de
laatste tijd een lijn in de dierennaamgeving gevonden en extrapoleer white
bellied sea eagle en yellow footed rock wallaby tot black headed python. Na wat
boekjes erop nageslagen te hebben blijkt deze gok nog correct te zijn ook. Ik
heb mijn roeping gemist…

 

Rechts aan de horizon luren grote zandduinen. Deze gaan we
beklimmen, om er vervolgens op een stuk hout weer vanaf te glijden. Dat gaat
een stuk sneller dan ik dacht. De duin die we voor dit doel misbruiken is denk
ik een kleine twintig meters hoog en dat levert meer dan voldoende potentiële
energie op die gedurende de afdaling in adrenaline wordt omgezet.

Na een paar keer zittend probeer ik het ook een paar keer
staand op het sand board. Dit resulteert in zand op plekken die in de leer der
anatomie zelfs geen Latijnse naam hebben.

Vermoeid van het herhaaldelijk beklimmen van de verzameling
los zand stappen we weer in de bus voor de laatste paar honderd kilometers van
de dag.

Na zonsondergang komen we aan in een gezellige
bed&breakfast in Hollocks Beach, een klein dorpje aan de kust. We genieten
van een smakelijke maaltijd op het balkon, luisterend naar de geluiden van de
branding. Dit is de Indische Oceaan en hij bevalt me nu al uitstekend.

Na het eten spelen we wat drinkspelletjes, waar niet alleen
Jess, maar ook de oudere uitbaatster van de accommodatie aan meedoet. Het is
een gezellig begin van een veelbelovende reis.

_____________________________________________________________________

 

Het is zes uur en we staan op. Claire, een sportieve
Nederlandse was al een uurtje langs het strand aan het rennen. Het lijkt dat
zij over een onmenselijke hoeveelheid energie beschikt. Een vermoeden dat nog
veelvuldig tot boven de verwachtingen bevestigd zal worden.

Western Xposure staat bekend om zijn geweldige maaltijden,
maar helaas blijkt dat niet uit het ontbijt. Zodoende schenk ik weer een paar
sneetjes bejamde toast aan het spijsverteringsstelsel, terwijl ik uitkijk over
de oceaan. Het weer is nog steeds niet geweldig. De wolken zijn donker en de
temperatuur een stuk koeler dan normaal. De uitbaatster hoopt op regen, ik ben
klaar om verder naar het Noorden te reizen. Een kilometer of 483 is een mooi
begin.

 

We rijden langs een paar carotine farms. Hier wordt carotine
gegroeid die vervolgens voor vitamine A preparaten en lippenstift gebruikt zal worden.
De farms zien er uit als grote oranje/roze meren.

 

Later komen we aan in Kalbarri National Park. Allereerst
parkeren we de bus, die trouwens Betsy heet, bij Pot Ally. Deze plaats geeft
een mooi uitzicht over de woeste kliffen. De dreigende bewolking en koele wind
versterkt het toch al onheilspellende en ongastvrije uitzicht. Het is alsof de
natuur zegt dat het op de straat is opgegroeid en er elk moment over kan gaan
rappen.

De volgende stop is Z-bend, een hoekig punt in een kloof.
Het uitzicht vanaf boven is ondanks het gebrek aan zon op zijn minst
indrukwekkend te noemen. We klimmen een stukje naar beneden en de laatste
vijfentwintig meter abseil ik. Grappig werk, dat abseilen, maar vijfentwintig
meter is niet echt de moeite. Hoe dan ook, het is beter dan springen.

We eten de lunch verderop in het park en met ronde buikjes
lopen we naar the Loop, een grote bocht in dezelfde kloof. Er liggen zelfs een
tweetal plassen water. Over een paar weken stroomt er waarschijnlijk weer iets
meer water, maar veel is het de laatste eeuwen sowieso niet meer.

Het wolkendek is inmiddels opengebroken en gezellige
schapenwolkjes decoreren de blauwe lucht. Het uitzicht over the Loop is
magnifiek, met name wanneer je door Nature’s Window kijkt; een natuurlijk raam
uit leisteen ontstaan. Het enige storende aan het uitzicht zijn de vliegen op
je pupillen.

 

Voldaan verlaten we Kalbarri National Park en een tijdje
later rijden we werelderfgoedgebied Shark Bay op, in het Westelijkste puntje
van Australië. De eerste en enige stop van vandaag in dit gebied is Shell
Beach. Dit strandje dankt zijn naam aan het feit dat het zand is vervangen door
tonnen hele kleine schelpjes. Het is wat minder comfortabel aan de voetzolen,
maar stukken origineler. We hebben de mogelijkheid om te gaan zwemmen, maar de
koude wind doet de meeste van ons besluiten dat pootjebaden ook al heel stoer
is. Claire denkt daar anders over en trekt olijk een paar baantjes.

 

We rijden naar Monky Mia, een wereldberoemde plek in teken
van dolfijnen. Om dit kracht bij te zetten heeft Jess het nummer “Call of the
Dolphins” op repeat gezet. In deze hit uit vergane tijden herhaalt een
nostalgische hippie van middelbare leeftijd met tranen in zijn stem dat we de
dolfijnen met rust moeten laten… voor de kinderen… Dit wordt muzikaal
bijgestaan door een herhalende toonladder van zaadachtige keyboardklanken die
veganistischer in het oor liggen dan een wortel. Deze gewaagde interpretatie
van muziek is op elke tour die Jess onderneemt het meest gehate nummer van de
tocht. Claire heeft de bijzonder twijfelachtige eer om als eerste passagier aller
tijden het nummer te herkennen van een cd die haar moeder vroeger draaide… Ik
vraag me nu af of ik niet beter een schuilnaam voor Claire had kunnen
gebruiken. Dit doet haar vast geen goed op de banenmarkt…

 

Het is al een tijdje donker als we het heuse resort bereiken.
Daar wordt de honger overwonnen door een barbecue, de dorst door een
aanzienlijke hoeveelheid bier en wijn en de duisternis door een nachtje slaap.
Hierbij speelt de tweede overwinning zich tussen de eerste en de laatste af en
leer ik tegelijkertijd de Deense Mette wat beter kennen. Dit is al haar derde
keer dat ze deze tour doet (ze is 32, al zou je dat niet zeggen), en ze belooft
dat we de mooiste dingen ooit gaan zien.

_____________________________________________________________________

 

Het is half zeven in de ochtend en in één soepele beweging
spring ik uit mijn bed en in mijn kleren. We zijn in Monky Mia en een nieuw
hoofdstuk in fauna-exploratie is slechts een klein uurtje van me verwijderd.

 

Nog herkauwend op de droge toast en met de laatste slokken
oploskoffie nog in mijn mok, vecht ik me door een koude zeebries naar het
strand. Dit is een wandeling van slechts vijftig meter, dus het gevecht is
makkelijk gewonnen. Bij de waterrand aangekomen loop ik Noordwaarts door
groepen pelikanen richting een steiger. Bij het steiger verwijder ik mijn
teenslippers en rol ik mijn broekspijpen op, om vervolgens tot aan mijn knieën
in het water te gaan staan. In het kwartier dat hier op volgt, volgen minstens
dertig medetoeristen dit voorbeeld.

Binnen een paar minuten breken de eerste rugvinnen door het
wateroppervlak. Een stuk of drie dolfijnen zwemmen langzaam naar ons toe. Ze
spelen wat met elkaar en kijken nieuwsgierig en chronisch vrolijk naar de
vreemde schepsels in dikke truien die al pootjebadend de batterijen van hun
camera’s verwisselen.

Er zwemmen meer dolfijnen naar de kust en overal zie je wel
een vin, staart of snuit uit het water komen. Spelenderwijs flaneren ze op slechts
een meter afstand van onze voeten. Ze plagen ons, omdat ze lijken te weten dat
wij ze willen knuffelen, maar dat een poging daartoe door de aanwezige rangers met
zweepslagen wordt bestraft.

Ik neem wel zestig foto’s, op zoek naar de juiste timing,
maar dat valt niet mee met een camera met random shutter delay. Bij het
verwisselen van de batterijen maakt één dolfijn een achterwaardse salto terwijl
een andere op viool een symfonie van Vivaldi ten gehore brengt, maar wanneer
mijn camera weer gebruiksklaar is, duiken ze weer gezwind onder.

Dan komen de rangers met emmers vis. Ze kiezen een aantal
fortuinlijken die een vis aan een dolfijn mogen voeren. Je komt hiervoor alleen
in aanmerking als je ofwel jong en schattig bent, ofwel oud en seniel, of als
je een stevige set strakke borsten hebt, waarvan de tepels door de koude wind zo
scherp zijn dat ze onder de wapenwet geschaard zouden moeten worden. Ik voldoe
aan geen van deze voorwaarden en kijk door mijn camera toe hoe een seniele oma
met siliconen een vis uit de emmer haalt om die vervolgens in een dolfijn weer op
te bergen.

Zodra de vissen op zijn, en dat is al heel snel, keren de
dolfijnen ons de rugvin toe en vervolgen zij hun dag. Wij komen uit het water
en druipen af. Onderweg schiet ik de rest van mijn batterijen leeg op de
pelikanen.

 

Nog voor de lunch verlaten we Monky Mia. In het nabijgelegen
Denham halen we wat benzine en kijken we nog eens naar de prachtige blauwe,
lauwe Oceaan, begrensd door bepalmde stranden. Een mooie zeilboot ligt vredig
te schommelen op het water en is favoriet voor een schilderachtige foto. Een
attente meeuw vliegt door de foto heen en voor eens is de willekeur in shutter
delay van mijn oude cameraatje een pluspunt.

 

We verlaten het schiereiland Shark Bay, maar nemen eerst nog
een kijkje bij de Stromatolites bij Hamelin Pool. Hierover had ik al gelezen in
Bill Bryson’s boek ‘Down Under’, maar toen ik het las dacht ik niet ooit op deze
afgelegen plaats te komen.

Stromatolites zijn ’s werelds oudste levende organismen. Ze
zijn voor het eerst hier ontdekt, in het zoute, ondiepe en warme water van
Hamelin Pool en er zijn maar een stuk of drie plaatsen op aarde waar er nog
levende Stromatolites zijn.

Deze eencelligen, die met miljoenen bij elkaar komen zien
eruit als zwarte steen en zij doen al 3.500.000.000 jaar weinig anders dan
kleine beetjes zuurstof maken. Men vermoedt dat deze plantjes, die lang geleden
over de hele aarde te vinden waren, verantwoordelijk zijn voor het brengen van
zuurstof in onze atmosfeer. Het water staat nu te laag, maar wanneer de
Stromatolites onder water staan, kun je sporadisch een klein luchtbelletje aan
de oppervlakte zien verschijnen.

Terwijl ik over de loopplank in de warmer wordende dag loop
en drieënhalf miljard jaar terug in de tijd kijk over het veld van eencelligen
die verantwoordelijk zijn voor al het leven zoals we dat nu kennen, maakt een
heel speciale emotie zich van mij meester… Ik verveel me. Hoewel deze plek van
onschatbare natuurhistorische waarde is en de geschiedenis me zeker
interesseert, moet men niet vergeten dat je eigenlijk gewoon naar een roedel
zwarte keien staat te kijken. Het duurt dan ook niet lang voordat we onze weg
weer vervolgen.

 

De zon heeft de revue al weer gepasseerd wanneer wij na 610
kilometer aankomen bij het gezellige hostel in Coral Bay, een klein dorpje aan
één van de prachtigste stukjes van de 36000 kilometer kustlijn die Australië’s
grenzen tekent.

We checken in, eten wat hamburgers en drinken menig pot
pils. Wat spelletjes pool en tafeltennis geven het valse gevoel van
sportiviteit en de sfeer is in een opperste staat van gezelligheid. De bar
sluit en niet veel later ook onze ogen.

_____________________________________________________________________

 

De ochtend is alweer zeven uren oud wanneer telefoonalarmen
de ogen doen openen en nadorst de mond. Vandaag deelt de groep zich op over
verschillende activiteiten die geboekt konden worden in verschillende
prijsklassen. Er kon gekozen worden uit een keur van vermakelijkheden variërend
van quadbiken tot kanoën. Ik heb gekozen voor een dure, maar schijnbaar
fantastische Manta Ray Day Tour.

 

Het is fantastisch weer als wij met onze snorkeluitrusting
het bootje opstappen. De zon schijnt, het is windstil en de lucht probeert het
water af te troeven in blauwheid. Terwijl gids Jess naast me de vervelende
combinatie van kater en varen probeert weg te slikken kijk ik over het blauwste
water dat ik ooit heb gezien. De vissen zwemmen met ons mee en hier en daar
steekt een zeeschildpad zijn hoofd uit het water om de commotie gade te slaan.

Het duurt niet lang tot we Ningaloo Reef bereiken, de kleine
Westelijke zuster van the Great Barrier Reef. Het is plaatselijk enorm ondiep
en het koraal groeit praktisch tot boven de zeespiegel. Het turquoise water
heeft hierdoor vlekken donkerblauw en groen in zich. Rondom ons is het spiegelvlak,
terwijl we verderop de golven zien breken waar de Indische Oceaan het rif
treft.

 

De eerste snorkellocatie is een Shark Cleaning Station. Dit
is een plek waar haaien en andere grote maritieme creaturen komen om door
kleine visjes schoongesabbeld te worden. Een soort waterige afwerkplek dus. We
springen te water en volgen de lieflijke Canadese gids naar de actie.

Er zijn ook in dit deel van Australië maar drie soorten haai
die veel voorkomen; de white tip reef shark, de black tip reef shark en de gray
reef shark. Langer dan twee meter worden ze zelden en ze vinden ons maar
angstaanjagend. We moeten dan ook best een tijdje zoeken, tot ik er plots één recht
onder me zie, op zo’n acht meter diepte. Het is een mooi exemplaar van een gray
reef shark die met twee meter lengte langer is dan ik. Ik had ze al eerder
gezien in het Oosten, maar niet eerder zo dichtbij. Het zijn prachtige beesten.

Terwijl we naarstig zoeken naar nieuwe exemplaren heeft het
bedrijfsvliegtuigje een Manta Ray gespot. Dit wordt de volgende snorkelsessie.

 

Coral Bay is één van drie locaties in de wereld waar een
permanente populatie Manta Rays leeft. Deze grootste onder de platvissen kunnen
tot zeven meter in vleugelwijdte groeien met een gewicht van ruim twee ton. In
tegenstelling tot andere rays (zoals de Bull Ray die intiem was met Steve
Irwin) hebben Manta Rays geen stekel in hun staart en zijn ze als planktoneters
volledig ongevaarlijk. Hun enige verdediging tegen zeldzame rovers is hun
snelheid die tot veertig kilometer per uur kan oplopen, hoewel ze dat zelden laten
zien.

Na een korte vaartocht worden we in kleine groepjes om de
beurt bij de Manta gedropt. We zwemmen boven haar mee. Ze is een kleine vier
meter breed en zweeft met onbeschrijflijke sierlijkheid door het heldere water.
Omdat ze niet omhoog kan kijken draait ze soms op haar zij om te kijken wat er
aan de hand is. Ze stoort zich nauwelijks aan onze aanwezigheid. Een paar sucker
fish zitten als een zuignap aan haar onderkant en liften op die manier mee. Ik
zwem recht boven haar en de afstand tussen ons kan niet veel meer zijn dan vijf
of zes meter.

Al snel zitten de eerste tien minuten er op en moeten we het
water weer uit om ook de volgende groep wat quality time met de Manta te geven.

Een tijdje later mogen de liefhebbers nog een tweede keer
het water in. Ik heb het net weer warm, (het water is toch nog best koud en er
is weer een koel briesje), maar besluit toch nog eens hallo te gaan zeggen
tegen mijn nieuwste visvriendin.

Het lijkt erop dat de Manta nu wel genoeg van ons heeft en
ze begint een stuk harder te zwemmen. Driekwart van de groep valt al snel af en
wacht tot de boot ze oppikt, maar geïnspireerd door de sierlijke snelheid van
dit wonderschone dier spartel ik kwiek achter haar aan. Van de Canadese gids
mag ik naar de Manta toe duiken en met de restjes adem die ik nog over heb duik
ik richting het zwevende vistapijt tot er niet veel meer dan een meter tussen
ons is. De gids maakt wat mooie foto’s van ons en ik kan er geen genoeg van
krijgen. Mijn benen kunnen dit wel en deze zijn dan ook blij wanneer we in een
ontspannen watertrappelparade op onze watertaxi wachten.

 

Bijzonder voldaan begin ik aan de lunch die mij vol doet en
nog voldaner dan voorheen tuur ik over het water op zoek naar schildpadden en
Rays. We passeren een zwarte vlek van een Manta Ray en later een zwarte vlek
van een Bull Ray en na verloop van tijd komen we aan bij onze laatste
snorkelplek van de dag.

Op een prachtige ondiepe plek tussen het koraal gaan we voor
de laatste maal te water. Vele verschillende soorten koraal gaan verschuilt
achter kleurrijke vissen. Het is allemaal niet zo abundant en kleurrijk als the
Great Barrier Reef, maar niettemin een lust voor het oog. Ik kom oog in oog met
een grote Box Fish (bijna vierkante vis), de grootste die ik tot nu toe heb
gezien. Ik zie eindelijk een Trumpet Fish, een bijzonder komisch langwerpig
stuk zwemmer met een lange snuit met een maximum lengte van tachtig centimeter.
Een spotted lagoon ray zwemt over de nabije bodem en een keur aan zeesterren
vrolijkt de koraalpartijen op. Het is een mooie afsluiting van een mooie dag.

 

Na de terugtocht nemen we afscheid van de crew en ontspannen
we op het lieflijke strand. Ik kan nog steeds niet geloven hoe blauw het water
er hier is en besluit dat ik hier later nog eens zal terugkomen. Tussen april
en juli kun je hier namelijk met Whale Sharks duiken; de grootste vissen op de
planeet. Reusachtige planktoneters die wel twaalf meter lang kunnen worden. Dat
moet ik een keer meemaken!

 

In de namiddag stappen we weer in Betsy de bus en rijden de
steenworp van 335 kilometer naar Exmouth. Daar checken we in op een soort
camping met slaapkamerhuisjes waarmee we langzaam onze luxueuze
backpackeraccomodaties afbouwen naar de primitiviteit die ons later nog te
wachten staat. Een goede maaltijd wordt gevolgd door gezellig bieren tot
tenslotte de slaap wordt opgezocht.

_____________________________________________________________________

 

Vroeger dan de meesten spring ik om kwart voor zeven
enthousiast mijn bovenbed uit, waarbij het geluid van mijn hoofd tegen het te
lage plafond ook de rest van de kamer wekt. De resulterende hoofdpijn mag de
pret niet drukken, want voor vandaag heb ik een duiktrip geboekt. En duiken, zo
heb ik geleerd, mag ik graag doen!

Niet veel later sta ik samen met de Vlaamse Seija te wachten
om door het duikbedrijf opgehaald te worden. Menig busje komt langs en pikt
anderen op, maar van ons bedrijf blijft elke vorm van vervoer uit.
Concurrerende collega’s voorzien ons van wisselende informatie die praktisch
varieert tussen ‘nog vijf minuutjes’ en ‘hij is gisteravond overleden aan een
ingegroeide teennagel. Na een half uur wachten wandelen we naar het
boekingskantoor, waar we via de telefoon te horen krijgen dat het busje in
kwestie gewoon op tijd op de juiste plek stond. Wij kijken elkaar aan,
bevestigen daarmee onze zichtbaarheid en ontkrachten daarmee zijn gelul. Hoe
dan ook, het schip is uitgevaren en ons duikavontuur is daarmee nog voor het
zingen beëindigd.

We lopen terug naar de accommodatie waar de rest aan het
ontbijten is. Ik ben gedurende deze hele trip chronisch gelukkig en heb dan ook
besloten deze teleurstelling onmiddellijk te negeren. Seija heeft het hier iets
moeilijker mee, maar ook zij weet een suïcidale depressie af te wenden.

En zo, niet veel later, zitten wij met een snel gehuurd
snorkelsetje bij de rest in de bus, op weg naar een paar prachtige plekjes op
een prachtige dag.

 

We rijden over het schiereiland door Cape Range National
Park tot we voor ons het diepe blauw zien van de übersloot die Australië van
India scheidt. We genieten van dit uitzicht bij the Vlamingh Head lighthouse
(De Nederlander Willem de Vlamingh heeft in zijn VOC-tijd zo’n beetje de halve
Westkust van New Holland (Australië) in kaart gebracht. Goed werk Willem!). In
de verte zien we een Humpback walvis doorbreken.

Niet veel later zijn we op het favoriete strand van Jess:
Sandy Bay. Het is het gebruikelijke paradijs met fijn, wittig zand en blauw,
superhelder water van aangename temperatuur. De zon schijnt er lustig op los en
er zijn mooie vrouwen in bikini’s. Wat dat betreft niks nieuws, maar ik kan er
geen genoeg van krijgen.

 

Na de lunch verhuizen we een stukje naar het bekendere
Turquoise Bay. Een vergelijkbaar paradijs, maar nu met een uitstekende optie op
snorkelen.

Gedurende een lange snorkelsessie wordt ik enigszins
gecompenseerd voor het mislopen van mijn duiktrip. Ik wordt bij het snorkelen
vergezeld door de Deense Mette en zij blijkt uitstekend in het spotten van gave
dingen.

Al snel ziet ze een Spotted Wobbegong van anderhalve meter
die ligt te slapen op de bodem (nog geen twee meter diep). Dit is een haai in
zanderige camouflagekleuren met katvisachtige appendices aan de kin. Hij ziet
er erg schattig uit en ik duik een aantal keren naar beneden voor een beter
kijkje. Gelukkig ben ik een brave jongen en raak ik het dier niet aan. Later
hoor ik namelijk dat deze haai, veel meer dan zijn grotere vriendjes, nog wel
eens lelijk wil bijten, als je hem wakker maakt.

Ik kom uiteraard honderden parrotfish, anglefish,
surgeonfish, wrass en ander gebruikelijk spul tegen. Ook de trumpetfish zijn
hier alles behalve zeldzaam. In de verte zie ik een schim die zich op een
bekende manier voortbeweegt en na een korte achtervolging zwemmen we gezellig
met een uiterst sympathieke Green Turtle mee. Hij vindt het wel best en ik
bedwing me het beestje niet te knuffelen, dat mag natuurlijk niet.

Wat later zie ik een vreemde lijn door het zand lopen en bij
nadere inspectie blijkt het de staart van een stingray te zijn die zich heeft
ingegraven. Om Steve Irwin praktijken te voorkomen besluit ik ook dit diertje
niet te aaien, maar het is wel erg vermakelijk om de belediging in de uit het
zand stekende ogen van de ray te zien, dat ik zomaar zijn camouflage heb
doorzien.

Er is een haai gesignaleerd en naarstig ga ik naar het dier
op zoek. Helaas kan ik hem niet vinden. Onbegrijpelijk, vinden anderen, want
kennelijk was de vis op een bepaald moment vlak achter me een lange neus aan
het maken, alvorens hij snel en soepel de open zee in vluchtte.

Met deze nieuwe bevestiging dat onderwaterwezens enorm cool
zijn, stap ik het water uit. Erg jammer dat ik mijn wegwerp
onderwatercameraatje bij mijn handdoek heb laten liggen…

 

Nog een uur of wat wordt besteed aan zuivere ontspanning en
onthaasting. De stress van alle leuke dingen van de laatste weken begon
natuurlijk aardig uit de hand te lopen.

Ik maak een foto van de bloedmooie Duitse Chris, die als een
mensgeworden zeemeermin in het heldere water ligt in een pose die al haar volmaakte
vormen accentueert. Deze scène is zelfs haar camera te heet en het is dan ook
de laatste foto die het apparaat maakt. Vanaf dat moment ben ik haar privé
fotograaf met mijn eigen, oude camera.

 

We rijden terug naar de accommodatie en hebben haast.
Enkelen, waaronder ik, gaan namelijk nog op een walvistocht. Een onverwachte,
laatste herkansing van de mislukte pogingen rond Newcastle en in Perth. Eerst
moet ik mijn geld nog terug zien te krijgen van de mislukte duiktocht. Dit lukt
en snel ren ik weer terug naar de ophaalplaats, waar mijn vrienden op me wachten.

Het Whale Watching bedrijf blijkt dezelfde als het
duikbedrijf, met dezelfde chauffeur. Deze is voornemens me voor de tweede keer
achter te laten, ware het niet voor mijn reisgenoten die hem dwingen te blijven
wachten tot de afgesproken tijd en langer, indien nodig. Ik kom precies op tijd
aangerend en we kunnen vertrekken.

Als we aankomen bij het schip, waar ik die ochtend al op had
moeten zitten, blijkt er al een tijdje een politieagent achter ons aan te
rijden. Deze voorziet de chauffeur van een kwade preek over te hard rijden en
ondersteunt dit met de nodige boetes. De chauffeur, Steve heet hij geloof ik,
moet nu zeker wel een ontzettende hekel aan me hebben. Eigen schuld Steve!

Sina (D), Chris (D), Nathan (GB), Kellie (AUS) en ik nemen
plaats op de kop van het jacht, op zoek naar walvissen. We hebben weinig geluk.
Een aantal keer zien we vlakbij een bultrug door het water gaan en wat water
omhoog spuiten bij een doorbraak. Een enkele keer zien we zelfs een staart van
een kalf het water uitkomen. Helaas zijn ze niet speels vandaag. Vaak komen de
dieren een kijkje nemen en doen ze wat leuke spectaculaire trucs voor hun
publiek.

Gelukkig is er nog een mooie zonsondergang om naar te
kijken. We krijgen garnalen en diverse glazen synthetische champagne en Steve
toont zijn professionaliteit door me op te komen zoeken om zijn excuses te
maken. Het leven is mooi.

_____________________________________________________________________

 

Om half zes nemen wij allen afscheid van het fenomeen bed.
De komende nachten zullen die namelijk niet meer aanwezig zijn. Vandaag trekken
we het binnenland in, naar Karijini National Park, een plek waar ik in de
voorbije weken al veel over gehoord heb. Er wachten 740 kilometers, dus rijden
zal vandaag de hoofdactiviteit zijn.

 

Ik neem plaats voorin de bus, naast Jess. Om de tijd wat te
doden schrijf ik een quiz uit. Mijn wekelijkse trivia nights in Newcastle komen
hierbij goed van pas. Het wordt een pittige vragenparade met categorieën
geografie, Australië, stellingen, twee muziekrondes en een ronde met gemengde
vragen. Het voorbereiden neemt al snel twee uur in beslag en ook het
presenteren en corrigeren van het geheel duurt een uur of twee. De tijd vliegt
om en de quiz wordt met veel positieve reacties ontvangen.

Er wordt nog een tussenstop gemaakt in het
ijzerertsmijnersstadje Tom Price. Hier kopen we een aardigheidje voor Jess dat
later aangeboden zal worden en gaan we op de foto met een reusachtige
vrachtwagen. Zonder enige twijfel het grootste motorvoertuig dat ik ooit van
dichtbij heb gezien.

 

Nog voor het vallen van de avond rijden we op een
zandweggetje door intens, hobbelig rood. We zijn in Karijini National Park en
de aarde is roder dan in the Red Center. Het is een groot park en we rijden nog
een uur om in ons kamp terecht te komen: Savannah Camp.

Ons kamp bestaat uit een aantal tenten waarin we de bagage
dumpen, voor iedereen een swag waar de meesten mee buiten slapen, een paar
kookpitten, een barbecue en wat tafels en bankjes. Zo zijn er een tweetal van
dit soort kampementen, met in het midden een nieuw toiletgebouwtje. Savannah
Camp is namelijk sinds kort uitgebreid met een kroeg/restaurant een stukje
verderop en een toiletgebouwtje op het kamp zelf. De eigenaren noemen het
‘eco’, maar Jess is het hier terecht niet mee eens.

In één van de droogste plekken van het continent zijn
wildernisliefhebbers namelijk nu voorzien van twee toiletten met doorspoeling,
in plaats van gewoon een paar biologische schijthuisjes. Tevens is er een
tweetal douches aanwezig. Er wordt ons verzocht deze niet te gebruiken en ook
spaarzaam te zijn met doorspoelen.

’s Avonds drinken we onder een volle maan. Een volle maan is
natuurlijk prachtig, maar verstoort wel één van de mooiste sterrennachten die
je je kunt voorstellen. In een straal van honderden kilometers is er geen
lantaarnpaal te bekennen, dus zonder de maan zou de sterrenhemel ongeëvenaard
zijn. Gelukkig heb ik mijn portie sterrenstaren al gehad in Kakadu National
Park.

Het is trouwens onvoorstelbaar hoeveel licht zo’n volle maan
geeft. Met enige concentratie is het mogelijk om midden in de nacht een boek te
lezen, met niks anders dan de verlichting van de maan. In de swag op het rode
zand slapen gaan onder dergelijke maan is door het felle licht dan ook niet
eenvoudig, maar gelukkig wordt het proces vereenvoudigd door de genuttigde slaapmutsjes.
Voordat ik de ogen sluit word ik me bewust van een opkomende verkoudheid.

_____________________________________________________________________

 

De zon en de vliegen doen een wedstrijd mij te wekken. De
vliegen winnen, maar ze zijn dan ook dan meer. Het zijn er zelfs zo veel, dat
ze in een zwerm de zon verduisteren. Het is een oneerlijke strijd. Hoe
verachtelijk ze ook zijn, ik volg hun voorbeeld en ga richting ontbijt, waar ik
bijzonder aangenaam word verrast met pannenkoeken.

 

Karijini National Park is een aaneenschakeling van de meest
prachtige en dramatische kloven, bespikkeld met prachtig heldere watertjes en
uiterst sfeervolle cascades. De leisteenachtige ribbeling in de kloofwanden
maken het uitermate geschikt voor klimpartijtjes, waardoor een groter deel van
het park toegankelijk wordt. Er zijn allerhande ‘wandel’-routes denkbaar
variërend van moeilijkheidsgraad één (gewoon vlak) tot moeilijkheidsgraad 6
(verboden, mits in bezit van abseildiploma of euthanasiecertificaat). Vandaag
gaan we adventure hiken op stukken tot en met graad vijf, hoewel er volgens
sommige kaarten ook een stukje zes tussen zit.

 

Na een heel kort ritje komen we aan bij Weano Gorge, We
beginnen bij Oxers Lookout op een punt waar drie gorges samenkomen. Het zicht
is adembenemend en niet alleen vanwege mijn verkoudheid. Het begint te dagen
dat Karijini wel eens de mooiste plek op aarde zou kunnen zijn.

We dalen af over de soms losliggende stenen en het is al
gelijk goed uitkijken waar je je voeten neerzet. Beneden aangekomen lopen we
een stuk door de kloof. Aan weerszijden reizen steile rode muren met op de
grond een riviertje met variabele afmetingen. Soms is het vrijwel droog, andere
keren moeten we de schoenen uitdoen om er doorheen te waden, of we klimmen er
via de muren langs. Her en der fleurt vegetatie de eeuwenoude rotsformaties op.

Na een tijdje komen we aan bij de ingang van Handrail Pool.
Hier laten we onze spullen achter en gaan we behoedzaam en met behulp van Jess
naar beneden. Ik heb al veel over Handrail Pool gehoord. Alex, het Duitse
meisje van mijn tocht van Darwin naar Adelaide, heeft hier haar teen van de
nodige schade voorzien. Gelukkig beschikt Handrail Pool over een handige
Handrail en via dit stuk metaal en nog een aanhankelijk touwtje kom ik veilig
aan in een stenen cilinder van tientallen meters hoogte. Onderin ligt water en
het is best fris. Door de omringende wanden kan de zon het water nauwelijks
opwarmen. Aangezien de lucht ruim dertig graden warm is, is de temperatuur van
het water een aangename hindernis.

Na de eerste baantjes getrokken te hebben zie ik dat de
cilinder behalve een ingang ook een uitgang heeft. Na het ronde reservoir
stroomt het water weer door, door een nog smallere kloof. Het gaat vanaf daar
steil naar beneden en waarschuwingsborden geven te lezen dat verdergaan een
heel dom idee is. Toch is de verleiding groot, want het ziet er prachtig uit
daar beneden.

Op de klim uit Handrail Pool komen we nog een schattig
kikkertje tegen en een aantal mensen glijdt bijna of helemaal uit. We lopen
weer terug en klimmen Weano Gorge uit. Adventure Hiking is volledig geweldig!

 

De volgende stop is Hancock Gorge. Wederom beginnen we met
een bovenaanzicht dat weer onbeschrijflijk prachtig is. Hier leren we ook hoe
de naamgeving van de kloven een beetje tot stand is gekomen (met een paar
uitzonderingen, zoals Handrail Pool). Alle kloven en veel kenmerkende punten
zijn vernoemd naar personen die het hebben ontdekt, of naar personen die
omgekomen is, terwijl hij/zij iemand anders probeerde te redden. Als je niet
weet wat je doet en/of niemand bij je hebt die dat weet, dan is het makkelijk
jezelf te verwonden hier.

We dalen af en zwemmen en klimmen door de kloof.
Uiteindelijk komen we aan bij de Spider Walk. Dit stukje zit ergens tussen
klasse vijf en zes in. De kloof is er erg smal en het beetje water dat er is
stroomt snel en heeft de bodem enorm glad gemaakt. De enige manier om door de
kloof te gaan, is door niet op de bodem te gaan staan. Met tegen elke muur een
hand en voet kruip je er doorheen.

Over dit stukje is al veel gesproken en gespeculeerd.
Gisteravond zagen we de gids van een andere groep met open knieën en hechtingen
in haar kin. Zij had zichzelf opgeofferd om te voorkomen dat één van haar
Aziaatjes naar beneden viel. Een aantal mensen van onze groep besluit niet
verder te gaan.

Met goede moed begin ik aan de Spider Walk en tot mijn grote
teleurstelling blijkt het reusachtig eenvoudig te zijn voor eenieder langer dan
185 centimeter. Wel moet ik steeds wachten op mijn kleinere medemens die
begrijpelijk veel moeite heeft om zich door de muren heen te manoeuvreren.

Aan de andere kant aangekomen nemen we een hoge duik in
Kermit’s Pool. De kloof is hier wijder en de zon schijnt er op los terwijl we
genieten van het heerlijke water. We lopen en zwemmen wat heen en weer en nemen
de nodige foto’s. We kunnen het water na Kermit’s Pool nog een klein stukje
volgen, tot het ook hier weer behoorlijk steil wegvalt. Vanaf hier wordt het
nog veel geweldiger, maar verdergaan is onverantwoord. Elk jaar is er weer een
aantal mensen die dit wel doet en die zich verderop behoorlijk vergissen in de
diepte van het watertje vele meters lager. De gelukkigen belanden in een
rolstoel, de anderen op hele harde stenen.

Ook hier zal ik nog eens naar terug moeten gaan. Wat we
zojuist hebben gedaan zijn stukken van de zogenaamde Miracle Mile. Dit is een
mijl door de Weano en Hancock kloven (aaneengesloten bij Oxers Lookout) waarbij
het een mirakel is als je hem als domme toerist overleeft. Vanaf volgend jaar
begint er een bedrijf met tours over de hele mijl, waarbij je de stukken die we
nu hebben overgeslagen wel kunt doen, met gids en de juiste spullen.

 

We komen terug bij Savannah Camp voor een late lunch met
slechts één of twee lichtgewonden. Onze tijd in Karijini is nog lang niet
voorbij, maar het ruigste deel blijkt helaas wel al achter de rug.

Het is enorm warm en we voelen de hete adem van de veertig
graden onheilspellend in onze nek. Een kleine siësta is wel op zijn plaats.

 

Tegen half vijf lopen we naar Joffre Gorge, richting The Amphitheater.
Deze bevindt zich vlakbij het kampement. We dalen af en komen al snel op onze
bestemming. The Amphitheater is precies zoals het klinkt; een grote ronde, hoge
tribune van rotswand met onderin een koud watertje.

Met Chris besluit ik omhoog te klimmen. Hoe hoog het ook
lijkt, het klimt enorm makkelijk door de textuur van de wanden. We kruipen langs
de watervalletjes omhoog en binnen tien minuten sta ik bovenaan de kloof. Het
uitzicht is geweldig, de rest van de groep een verzameling stipjes in de arena
van het amfitheater.

Onderweg naar beneden kruip ik nog achter een watervalletje
voor een regenachtige foto en beneden aangekomen neem ik mijn laatste douche
van de dag in het frisse water. Intussen valt de komische Brit Andy op
fenomenale wijze in het water. Gelukkig voor hem heeft Chris zijn camera.

 

Voldaan en semi-schoon klimmen we de kloof weer uit. Boven
aangekomen worden we getrakteerd op meer natuurschoon. Rechts staat een
reusachtige volle maan, terwijl links de laatste oranje zonnestraal de paarse
lucht klieft. Recht vooruit zijn er biertjes.

_____________________________________________________________________

 

Aaah… de zon en mijn vrienden de vliegen heten mij welkom in
een nieuwe dag in het paradijs. Vol enthousiasme en verkoudheid spring ik uit
mijn swag. Snel wat plakken toast en dan zijn we weer op weg.

 

Dales Gorge is zo prachtig dat we er een hele dag blijven en
nooit meer weg willen. We beginnen in Fern Pool, het meest magische meertje dat
je je kunt voorstellen. Het heldere, lauwe water wordt omgeven door intens
groen en bedekt onder het rustgevende geruis van twee schilderachtige
watervalletjes. Je zwemt in harmonie met de vissen en je waant je in de tijd
toen dieren nog konden praten.

Vervolgens lopen we naar het nabijgelegen Fortescue Falls;
een magnifiek stuk waterval waar je langs naar boven kunt klimmen en na elke
meter de waterstroom weer vanuit een nieuw perspectief kunt bewonderen. Ik maak
de klim op blote voeten en verbrand ze bijna aan het steen dat al uren vol in
de zon ligt te bakken. Het is warm en het water vormt een aangename afkoeling.

Ik vermaak me uren in dit stuk van Dales Gorge, wordt
geregeld gesommeerd meer kalenderwaardige foto’s van Chris te nemen en schiet
de rest van mijn batterijen leeg met compositionele experimenten op de
wonderlijke omgeving.

 

Ik slik nog wat Nurofen Cold&Flu voordat we de schoenen
weer aantrekken voor een wandeling door de gorge naar een andere hoogtepuntje.
De wandeling is in het heetst van de dag en we kunnen de verdampingssnelheid
maar moeilijk bijzweten.

Na een half uurtje door stereo-rots te hebben gelopen komen
we aan bij het beginpunt van de kloof: Circular Pool. Hier is in het verleden
de kloof ontstaan uit een waterval en het resultaat is een rond zwembad met
muren van zo’n honderd meter hoogte. Het lijkt op Jim Jim Falls, maar dan lager
en roder.

Van een grote waterval mag dan niet echt meer sprake zijn,
wel sijpelt er nog continu water langs de wanden dat door zon en stenen opgewarmd
is tot douchewaardige temperaturen. We nemen nog een laatste duik, verwijderen
eventuele bloedzuigertjes en klimmen dan naar boven, de gorge uit. Een laatste
bovenaanzicht op Circular Pool bevestigt onze vermoeide benen.

We stappen in Betsy en rijden de schemering en het kampement
tegemoet.

 

’s Avonds spelen we een origineel spelletje dat Jess
introduceert. Het idee is om een cornflakespak met de mond van de grond op te
pakken. Na elke ronde wordt er een stuk van het pak afgescheurd, waardoor er
dus dieper gebogen moet worden.

We spelen met een flinke groep mee en het duurt niet lang
voor de eerste hark met spierpijn zijn schaamte overtreft. Na verloop van tijd
zijn we nog met vier mensen over en is het pak gereduceerd tot een stukje van
het bodemkarton. Dat heeft tot gevolg dat we alle vier zand moeten happen om
nog mee te spelen. Wij mannen zijn bijzonder goed vertegenwoordigd; Een collega
van Jess, Andy en ik zijn nog over, samen met Jess zelf.

Wanneer het kartonnetje in een kuil wordt gelegd, wordt een
kritieke lachbui me fataal en geef ik met een creatieve rol mijn trui dezelfde
rode kleur als mijn gezicht. Jess zou uiteindelijk de wedstrijd winnen, maar
heeft daar volgens mij nu nog steeds een ruwe tong van. Met de resulterende
spierblessures, stoflongen en wastechnische uitdagingen kent dit spel uiteindelijk
alleen maar verliezers.

_____________________________________________________________________

 

Wanneer de volle maan door een nog vollere zon tot
lichtbronredundantie is verworden, rol ik voor de laatste keer in Karijini
National Park mijn swag op. Vandaag verlaten we het paradijs, maar gelukkig
niet voordat we nog een paar laatste uurtjes gaan genieten van wederom een
andere kloof.

 

Knox Gorge is slechts prachtig, een bescheidener kloofje
naast zijn eerder bezochte broertjes en zusjes. Wel is Knox Gorge een stuk
groener, niet alleen wat betreft vegetatie, maar ook wat betreft water. Het is
zijdezacht en ik waan me een mannelijke versie van Cleopatra in een bad van
melk, zij het groen en met beduidend minder calcium. Het is allemaal uiterst
ontspannend en dat terwijl er eigenlijk al niet zoveel gespannenheid was om mee
te beginnen.

In een poging productief te zijn, probeer ik naarstig de
rode aarde uit haren en vanonder nagels te krijgen. Het is nu drie dagen
geleden dat ik voor het laatst in aanraking ben geweest met douchegel. Het
driemaaldaags zwemmen zonder chemische toevoegingen is niet voldoende om de
roestige kleur van de ledematen te wassen. Het is dan ook voor iedereen een
raadsel welk deel van de nieuwe gelaatstint is veroorzaakt door de zon en welk
deel door de concentratie ijzer in de grond.

 

We zitten in de bus, druk aan het werk met opdrogen en
denken over niks. Voor mij staat vandaag 690 kilometer op het programma, voor
veel anderen nog meer. De eerste paar uur, inclusief tijd voor het vervangen
van een lekke band van de aanhanger, brengen ons naar de laatste gezamenlijke
lunch. Daarna zal de helft worden opgehaald door één van Jess’ collega’s die in
twee dagen terug rijdt naar Perth, waar we zojuist acht dagen hebben gebruikt
om diezelfde afstand andersom af te leggen. De rest blijft bij Jess en Betsy
voor de laatste duizend kilometer naar Broome.

Net voordat we gaan lunchen word ik genomineerd om Jess de
cadeaus te overhandigen die we in Tom Price voor haar hebben gekocht; een koe
die kerstliedjes mooht en een setje krasloten. Jess is aangedaan door het
gebaar, maar gelukkig staat daar haar gestreste collega die ons beveelt te
haasten.

De lunch gaat noodgedwongen heel erg snel, het afscheid
chaotisch. Het is een moment waar iedereen een beetje tegenop heeft gezien,
daar beide groepen leuke reisgenoten zien vertrekken. De haast zorgt ervoor dat
er niet te lang bij deze ellende wordt stilgestaan.

 

Met een halfvolle bus rijden we door. Onder andere de
Britten Nathan en de hilarische Andy hebben ons verlaten, alsmede de mooie en
gezellige Chris. Van de eenentwintig passagiers blijven er slechts negen over,
een ruime meerderheid Nederlandssprekend. Het resultaat zijn luxe slaapposities
voor ons allemaal en dat steunt ons dan toch wel weer in dit grote verlies.

De rest van de rit kent weinig bijzonderheden. We stoppen
nog om wat brandhout te verzamelen en om nog eens te tanken. Ruim voor
zonsondergang komen we aan bij Indee Station; een grote cattle farm waar we de
nacht doorbrengen.

 

Na aankomst wordt de aanhanger losgekoppeld en rijden we
naar Red Rock; een grote zwerfkei waar wat Aboriginals vroeger op hebben zitten
vingerverven. Ik kan niet echt onder de indruk zijn van de kleurpartijen. In Kakadu
was het wat grootser en zelfs dat deed me weinig. De twee aanwezige Ozzies,
Jess en Kellie, zijn diep onder de indruk en vol van schuldgevoelens bij het
aanschouwen van de abstracte streepjes. Voor mij is het een bevestiging van
mijn vermoedens; Red Rock ligt veel te afgelegen voor toerisme en daarom mogen
wij rustig met de schoenen aan over de kunstwerken heen banjeren. Een
voorganger heeft de boel al wat opgevrolijkt met een smiley en zijn/haar
initialen. Die oude tekeningen zijn alleen interessant om te beschermen als een
meute toeristen er toe bereid is er goed geld voor te betalen.

 

Wat een stuk indrukwekkender is, zijn de ritten van en naar
Red Rock. Jess stuurt Betsy ervaren door een hobbelig, dieprood zandpad dat
eigenlijk alleen geschikt is voor vierwielaangedreven machines. Aan weerskanten
van het pad staan struiken die extra groen afsteken tegen het zand dat door de
ondergaande zon achter ons steeds intenser rood wordt. Zo nu en dan vliegen er
aan aantal Galaa’s op uit de struiken; rood/grijze papegaai-achtige vogels die
sierlijk doch snel in kleine groepjes voor de bus uitvliegen. Het zandpad loopt
als een rode draad door de eindeloze vlakte, beginnend en eindigend in de zon.

 

’s Avonds gaat de bush experience nog een stapje verder. De
enige uitrusting die aanwezig is, is een zeil op de grond, een tafel en een
vuilnisbak. Jess maakt een groot kampvuur en zet er een pan in waarin een
stevige stew op krachten aan het komen is. We ontdoen de koelbox van de laatste
biertjes en eten een duchtig bord stew.

Als ik aan het afwassen ben wordt ik opgeschrikt door een
adolescente koe die plots achter me staat. Verderop staan twee van haar
vriendinnen die nieuwsgierig op de geur van kampvuur en Schotse delicatessen
afkomen. Een Australische cattle farm is eigenlijk de provincie Utrecht waar
een paar honderd koeien de reusachtige vlakte afstruinen op zoek naar schaarse voedingsflora.
Ze zijn daardoor niet gewend aan mensen en de dieren zijn dan ook makkelijk
weggejaagd.

 

Voor het slapen gaan stel ik mijn horloge in op zomertijd.
Het is de eerste keer dat Western Australia hier aan meedoet en begrijpelijk
voel ik me hierdoor nog bijzonderder en meer bevoorrecht dan ik al deed.

Ik rol de swag uit en terwijl de nog steeds vrij volle maan
in het groot aan de horizon verschijnt, val ik in slaap op de geluiden van
stervend kampvuur.

_____________________________________________________________________

 

Het is half zeven nieuwe tijd, dus eigenlijk half zes, als
we opstaan. We hebben besloten zo vroeg mogelijk op pad te gaan, om nog zoveel
mogelijk tijd in Broome te kunnen besteden. Nog voor zonsopkomst zitten we
ontbijtend in de bus voor de laatste zevenhonderd kilometers.

 

We maken een tussenstop in een zuidelijk deel van 80 Mile
Beach, zoals de naam al zegt; een 144 kilometer lang strand. Zwemmen is er geen
optie vanwege een keur aan dodelijke dieren. Kwallen zijn het ergste, maar de Salt
Water Croc’s staan op een eervolle tweede plaats. Waar het strand wel geschikt
voor is, is het verzamelen van mooie schelpen en het bekijken van krabben. Met
de schelpen is het ook nog wel oppassen geblazen, want cone shells die nog in
het water liggen kun je maar beter ontwijken. Daarin huizen namelijk hele
chagrijnige en mogelijk dodelijke diertjes.

Ik ga in achtervolging van een krab. Het arme beest snapt
maar niet dat ik recht vooruit altijd sneller ben dan hij zijwaarts en na
verloop van tijd geeft hij op en poseert hij verslagen voor een geweldige foto.

Er liggen overal sublieme schelpen. Ik verzamel er een
heleboel om vervolgens aan Jess te geven die er allemaal decoratieve plannen
mee heeft. Op haar beurt maakt ze voor mij een hele zomerse ketting van een
mooie draaischelp en een stukje leer. Met mijn nieuwe kleurtje en dit sierraad
ben ik bijna een volleerd Ozzie bloke, doen de aanwezige Ozzies mij geloven.

 

Het laatste stuk naar Broome rijden we door weer een nieuwe
vorm van leegheid. Overal zien we grijzig, uitgedroogd gras, maar nergens is
een boom of struik te ontwaren.

We rijden Broome binnen en gaan via de slijterij naar ons
hostel in Cable Beach, een nog kleiner voordorpje van het toch al kleine
Broome. Hier kom ik vrijwel direct Nicolas tegen, de Duitser waarmee ik een
maand eerder een stukje Darwin heb verkend. Hij is door de Kimberley van Darwin
naar Broome gereisd, één van de laatste stukken Australië waar ik helaas niet
aan toekom. Even later zie ik Jackie, de Nederlandse vriendin van Véronique
waar ik in Alice Springs nog mee heb gegeten. Zelfs wanneer je van het
gebruikelijke Oostkustpad wijkt blijkt het reusachtige Australië toch verbazend
klein te zijn.

 

’s Avonds verlaat ik de rest voor een de beroemde Camel
Sunset Tour die ik geboekt heb. Ik wordt op een dromedaris gezet (ze noemen die
daar gewoon kameel) en in herkauwende polonaise hobbel ik over het strand. Kamelentochtjes
zijn nogal populair in Broome en twee bedrijven hebben op dat moment zo’n vier
polonaises rondlopen. Ik heb geluk, er waren wat mensen niet komen opdagen en
ik zit derhalve alleen op een kameel, de grootste van het stel zelfs.

Na een minuut of vijf op het dier wordt de rit wat eentonig.
Een uitzondering hierop is de kameel achter me, die in variërende graden van
vlijt aan mijn kuit likt. De beesten zijn goed onderhouden en stinken
nauwelijks, dus ik besluit de onbeschaamde liefdesuitingen van mijn nieuwe
aanbidder te tolereren.

Uit verveling stort ik mij volledig op het maken van foto’s.
Kamelen zijn net als kangaroos uitermate geschikt om idioot op een foto te
krijgen. Net wanneer ook dit gaat vervelen komt de zon in aanraking met de zee.
Wat volgt is een snelle maar prachtige zonsondergang die ik vanaf een kameel en
door de camera bekijk. De kleuren zijn diep en de compositie met
kameelsilhouetten geeft zelfs na negen maanden buitenland een nieuw
vakantiegevoel. Eén van de kamelenfluisteraars van het bedrijf neemt één van de
mooiste foto’s die ooit met mijn camera zijn gemaakt.

Binnen een minuut is de zon volledig verdronken en zet de
duisternis langzaam in. We keren terug, bedanken ons vervoersmiddel en ik loop
terug naar mijn vrienden in het hostel voor een pizza en wat pilsjes.

 

’s Avonds lopen we met een doos vol blikjes naar het strand,
bijgestaan door een aantal collega’s van Jess. Zij heeft vanaf nu een dag of
twee vrij en besluit het er goed van te nemen. Al vrij snel worden we van het strand
verjaagd door het opkomende tij. Binnen een uur is het volledige strand
opgeslokt door de Indische Oceaan. In een parkje nabij zetten wij ons
consumptiegedrag voort. De Ozzie tour guides en Kellie bespreken het concept
naked friend; een vrijblijvende seksrelatie. Het wordt al snel duidelijk waarom
Europese mannen zo in trek zijn bij de Australische dames. Een inleidend
etentje en afsluitend ontbijtje kan er namelijk bij de blokes nauwelijks vanaf.

_____________________________________________________________________

 

Uitslapen zit er ook vandaag niet echt bij. Dit was namelijk
zowel mijn eerste als mijn laatste nacht in het hostel en ik moet op tijd
uitchecken. Vandaag wordt een dag van Broome verkennen en weinig anders. Mijn
laatste dag vakantie.

 

Het loopt dicht tegen de veertig graden aan en de
luchtvochtigheid blijft steken op honderd procent, omdat het wijzertje niet
verder gaat. Mette en ik gaan uitgebreid ontbijten in een klimaatgecontroleerd
eetcafeetje. Vervolgens nemen we een bus naar Broome om dat aan een onderzoek
te onderwerpen.

Broome is met zijn veertienduizend inwoners de grootste stad
in de wijde, wijde omtrek. Het is de toegangspoort tot de ruige, in het
regenseizoen onbegaanbare, Kimberley regio en bekend om zijn parelduikers.
Vanwege de chronische hitte is Broome de belichaming van laid back en
traagheid. Broome time is een begrip dat pas na een paar dagen verblijf aldaar
volledig begrepen kan worden.

Mette en ik lopen door de palmboombezaaide straatjes langs
winkeltjes, pareletalages en pubs. We zwalken wat, drinken wat en worden
gebeten door zandvlooien. Het is me allemaal wat te saai, wat te traag. Het is
een begrijpelijk gevoel, na vijf weken lang in hoog tempo actief touren.
Schijnbaar heb je een aantal dagen nodig om aan het Broome ritme te wennen,
alvorens je verliefd wordt op het dorp van strand en weinig anders. Ik heb die
tijd niet, de laatste uren van mijn vakantie worden van nabije toekomst tot
recent verleden.

 

Teruggekomen in het hostel in Cable Beach spelen we een paar
potjes pool. Vervolgens lopen we naar het terras van de Sunset bar waar vrijwel
iedereen samenkomt voor een biertje, voor mij de laatste. Met pijn in het hart
neem ik afscheid van mijn reisgezelschap en de beste gids ooit. We beloven te
schrijven, ik drink mijn flesje leeg en loop berugzakt naar de taxi, die
ondanks de Broome time op tijd is. Er hangt een lichte sluierbewolking en het
belooft een zonsondergang uit duizenden te worden.

Als de lucht tinten van vuur en bloemen aanneemt, check ik
mijn bagage in, een dak tussen mij en de laatste lichtbundels. Terwijl de zon
de zee inzakt, verdwijnt mijn rugzak achter de kunstmatige horizon van het gat
in de muur. De laatste dag van reis en avontuur is ten einde…

_____________________________________________________________________

 

Epiloog

Ik breng de nacht door in tuigen en velden van vlieg. Via
Perth vind ik mijn weg naar Sydney, waar een trein mij naar Newcastle brengt.
Vroeg in de ochtend sta ik voor de deur van mijn oude woning, mijn geld
ingeruild voor huidskleur, vieze kleren en prachtige herinneringen. Gautam laat
me binnen. We praten bij, hij gaat naar de universiteit, ik ga mijn email
checken.

Het is dinsdag, dus ’s avonds nog eenmaal een Trivia Night
met Saira en Miz. Na een nacht amper slapen, bovenop de slaaparme vijf weken
van voorheen zal het geen late avond worden, maar gezellig is het nog wel.

Alvorens ik mijn oude bed voor een laatste maal opzoek,
knuffel ik beide dames vaarwel. Ik zie Miz in tranen de trein instappen in een
tijd waarin iedereen één voor één vertrekt, zij alleen achterblijvend.

 

De volgende dag schud ik Gautam de hand voordat ik de vorige
dagen in omgekeerde volgorde ga herbeleven. In de trein naar Sydney krijg ik
een beetje buikpijn. Met twee uur vertraging zit ik uiteindelijk in een half
leeg vliegtuig dat praktisch over Broome vliegt om via een tankbeurt in
Singapore naar London te vliegen. Ik word ziek, de onderdrukte verkoudheid en
het cumulatieve slaaptekort van de laatste weken hebben eindelijk de overhand.
Hoewel het niet leuk is, is het een passende afsluiting van negen onwerkelijke
maanden.

In London is alle kans op het halen van mijn aansluitende
vlucht vervlogen. Anderhalf uur later dan gepland zit ik op alweer een halflege
vlucht naar Amsterdam. Het is koud en bewolkt en mijn verroeste schoenen en
rode, dikke trui herinneren me aan klimatologisch betere tijden.

In Amsterdam aangekomen blijkt mijn bagage nog in London te
liggen. Ik was er al voor gewaarschuwd. Met slechts lichte bepakking loop ik
langs afwezige douane ouders, zus en hond tegemoet. Op naar Douwe Egberts
koffie en Bavaria bier…

Noeste arbeid in Newcastle

September 19th, 2007

Aan hen die mij liefhebben,

Het is inmiddels al weer enige tijd geleden dat ik de moeite heb genomen het woord tot jullie te richten. Ik besef dat dit mij tot een waardeloze vriend en schamel familielid maakt, maar dat is een tekortkoming die een doos souvenirs wel zal compenseren.
Maar genoeg grappen en grollen. De werkelijke reden voor mijn lange afwezigheid in de wereld van digitale proza is het gebrek aan avonturen om verslag van te doen. Wees gerust, ik vermaak mij hier nog steeds prima, maar vergeleken met mijn vorige reisperiode waarin ik vrijwel dagelijks oog in oog stond met giftige slangen, hongerige krokodillen, agressieve cassowaries en oversekste Koreanen, is deze periode er meer één van innerlijke rust en zelfreflectie.

Nou ja… innerlijke rust en zelfreflectie… Eigenlijk is het voornamelijk een periode van heel hard werken om voor mijn vertrek hier een computer wat wegen te laten detecteren. Dagen van tien uur zijn geen uitzondering meer, nu de laatste weekjes van mijn stage in rap tempo tot verleden tijd transformeren. Zoals het hoort komen pas nu alle problemen als de spreekwoordelijke aap uit de mouw. Met name numeriek zit niet alles snor, maar ook mijn nieuwe stukje duur speelgoed blijkt niet de beeldkwaliteit te kunnen leveren als voorheen gehoopt. Afijn, we doen ons best en hopen voor een goed eindresultaat.

Wat is er daarnaast zoal gebeurd in de laatste zes weken? Nou, ik heb een plaats gevonden om te wonen. Een paleisje vlakbij mijn oude schuurtje. Op de eerste verdieping, boven één van de vele bruidszaken en naast een discreet bordeel, betrek ik een ruime kamer met tweepersoonsbed en riant balkon. Vanaf het balkon kan ik met enige moeite het water van de haven zien onder prachtig gekleurde lucht bij zonsondergang. De goeduitgeruste keuken, knusse huiskamer en licht luxueuze badkamer deel ik met een gezellige Indische huisgenoot en er is nog één kamer vrij, voor de liefhebber. De enige nadelen van het optrekje zijn de prijs enerzijds en die ellendige spoorlijn anderzijds. Hoewel ik me aan de passerende treinen nauwelijks meer stoor (dat was in mijn vorige kamer vele malen erger), voelde ik me wel licht genaaid toen gedurende mijn eerste weekend na verhuizing, het perron van het station hier werd verlengd, waardoor ik nu praktisch op het station woon. Dit brengt melodieuze begeleiding met zich mee, van een wulpse damesstem die tot in het einde der tijden zinloze reizigersinformatie verkondigt. Maar met een donsgevuld dekbed en een kast waar je in kunt wonen kun je natuurlijk niet lang boos blijven…

Ik heb het genoegen gehad veel van mijn vrienden nog te zien voordat zij huiswaards keerden. Zo was ik Sandro en zijn vrienden nog in Cairns tegengekomen, (zoals al eerder vermeld) en ging ik in mijn eerste weekendje Newcastle nog eens uit met Steph en Christina. Ook Martin kwam nog een avondje terug om de rest van zijn bagage op te halen. Inmiddels is er een (deels nieuw) klein clubje, waar ik deel van uitmaak, met als hoofdactiviteit de vaste Trivia avond op dinsdag. Het zijn Chase, de Australiër, Saira, de Canadese en Mizuho (Miz), de Japanse. Af en toe bijgestaan door Brayden de Canadees en Leigh de Australiër proberen we wekelijks heel slim te antwoorden op moeilijke vragen. Een inspanning die afgelopen week eindelijk, voor de allereerste keer, tot resultaat leidde. Een zevende plaats met bijbehorend gratis drankje werd verworven. Het was een magische avond…

Over een kleine twee weken verlaat ik Newcastle. Dit houdt in dat ik de komende tijd voornamelijk heel hard zal werken. Er staan nog wel een paar leuke dingen op het programma, zoals een verjaardagsetentje van Saira in een Japans restaurant, een Jungle Party in de flat van Chase en Saira en ik probeer al een hele tijd walvissen te gaan kijken, maar dat lukt steeds maar niet. Hopelijk volgend weekend…
Na de twee weken is het tijd voor een reisje…

Waar ik op mijn vorige trip op het dooie gemakje elke meter Oostkust bezocht, zal ik nu in een maand door zoveel mogelijk prachtig gebied racen. Mijn plannen, nog niet definitief, zijn als volgt:
30 September vlieg ik naar Darwin, helemaal in het midden-Noorden, de hoofdstad van the Northern Territory. Van daar uit vertrek ik met een 14-daagse tour richting Adelaide, de hoofdstad van South Australia, dat zoals de naam doet vermoeden in het verre Zuiden van Australië ligt. Dit lapje land (hemelbreed ruim 3000 kilometer) biedt mij onder andere Kakadu; het bekendste natuurpark met de befaamde Jim Jim falls, Katherine Gorge; een significant stuk kloof, the Devil’s Marbles; een set verdwaalde reuzestenen, Alice Springs; een dorpje in het midden des lands waar ik Veronique (de beroemde reisagente) bezoek, Uluru; de steen der stenen, Kata Tjuta; nog meer vreemd granietwerk, Kings Canyon; een machtig berggebeuren en Cooper Perdy; een ondergrondse stad. Dit alles in een omgeving van ruige leegte, met briljante sterrennachten en adembenemende zonsondergangen en –opkomsten. Na aangekomen te zijn Adelaide en een kort kijkje aldaar vlieg ik al snel door naar de hoofdstad van Western Australia, Perth.
Daar aangekomen denk ik een 10-daagse tour te doen van Perth naar Broome, hemelsbreed zo’n 2500 kilometer. Deze tour bezoekt een aantal van de meest prachtige plekjes ter wereld, maar ik kijk vooral uit naar Ningaloo reef, waar je met whale sharks kunt duiken (helaas nu niet het seizoen) en reusachtige Mantarays (nu wel het seizoen). Verder op het programma: The Pinnacles Desert, Kalbarri National Park met Nature’s Window, Loop en Z-bend Gorge, de dolfijnen van Monky Mia, Shell Beach (schelpjes daar, geen olie), de stromatolites in Hamelin Pool (’s werelds oudste soort organisme, deels verantwoordelijk voor het creëren van zuurstof), Exmouth, Karijini National Park met stapels uniek landschap en 80 Mile Beach (Scheveningen, eat your heart out!).
Ik ben druk aan het plannen en boeken en langzaamaan krijgt het geheel vorm. Het is in ieder geval duidelijk dat het een behoorlijk vermoeiende maand gaat worden, met weinig nachtrust, maar heel veel mooie foto’s.

31 Oktober moet ik dan afscheid nemen van Australië. Iets wat ik nu, terwijl ik het voor het eerst schrijf, eigenlijk pas voor de eerste keer besef. Ik heb al geruime tijd veel zin om weer thuis aan te komen, maar ik heb helemaal geen zin om Australië te verlaten. Hmmm… dit nieuwe besef bevalt me niks. Het lijkt me een prima idee om hiermee een eind te maken aan deze korte berichtgeving en snel een hilarische aflevering van South Park te kijken om mijn gedachten af te leiden van het onvermijdelijke einde van een geweldige tijd. Ondanks dat er nog zes weken te gaan zijn, komt het nu tastbaar dichtbij… Tot 1 november…

Ohw ja…. Er staan ook wat foto’s online van mijn wooninfrastructuur…

Reizen: Rockhampton tot en met Cairns en weer terug

August 2nd, 2007

Fijne figuren,

Wees gerust, het is ten einde. Na tien weken intensief reisgedrag langs de oh zo mooie en toeristische Oostkust van Australië ben ik weer semi-thuis in het vertrouwde Newcastle, herenigd met twee van mijn vrienden die hier nog zijn, zij het voor slechts een paar dagen, waarna hun reisavonturen van start gaan.
Hoewel het hier in het Zuiden merkbaar kouder is, is het met het zonnetje overdag nog prima vertoeven. De stormschade is zo goed als allemaal opgeruimd, hoewel een busritje door mijn oude straat een aantal cafés en winkels toonde die kennelijk niet over de financiële middelen beschikten om het water en puin te verwijderen en de draad weer op te pakken.
Morgen hervat ik mijn stage. Een verfrissend contrast met de laatste tien weken waarin het meest intellectueel uitdagende een bijzonder eenvoudig examen duiktheorie was. Op de universiteit maakt men het papierwerk in orde voor mijn belachelijk riante salaris en het dure stukje hightech speelgoed ligt reeds op me te wachten. Wat dat betreft alles snor, koek en ei dus, nu nog hopen dat ik ergens een kamer vind, hoewel mijn hostel een meer dan aangename verblijfplaats is, zolang het duurt.
In deze lange woordensessie, in etappes geschreven, vinden jullie dus alle belangrijke en minder belangrijke dingen die ik jullie niet wil onthouden, over het laatste deel van mijn reis. Voor het kijkplezier is zijn er luttele tientallen foto’s bijgevoegd, om menig sterk verhaal met gedegen bewijsmateriaal te ondersteunen.
Dit is het juiste moment om een kop koffie en kleine versnapering te pakken, en eventueel een urineersessie in te lassen. Het is namelijk nogal een lang verhaal…

Rockhampton
Toen ik in Rockhampton uit de bus stapte, kwam ik Ulf en Andy tegen; de Noor en Duitser van Fraser Island. Dit, om nogmaals aan te geven dat de Oostkust van Australië klein gebleven is door groot te zijn. Iedereen doet uiteindelijk ongeveer hetzelfde, zij het in een ander tempo.
Rockhampton is even net wat anders dan de andere plaatsen die ik tot nu toe bezocht heb. Als Beef Capital of Australia is het een waar cowboyparadijs. Een stad met ruige mensen en stapels Aboriginals (en dan niet van die leuke gevingerverfde straatmuzikanten, maar van die chronisch dronken onaangename lieden). Meer over het cowboygehalte later, maar laat ik het nu even chronologisch houden.

Na mijn eerste nachtje werd ik opgehaald door Capricorn Dave (Rockhampton ligt op de Tropic of Capricorn, hoe heet dat ook alweer in het Nederlands? Steenbokskeerkring?) Capricorn Dave doet de Reef ’n Beef Tours en is bekend van televisie, van een aflevering van Jack-Ass om precies te zijn. Hij zou een rondleiding verzorgen in de bush en wij zouden het echte Australië gaan bewonderen. Wij in dit geval, zijn de Franse François en ik. Een tamelijk kleine groep dus.
De eerste stop was een cattle farm, maatje Brabant, waar we een aantal tamme stieren, maatje buffel, hebben geaaid. Toen de grootste stier tijdens de aaisessie een familieportie gras ophoestte voor herkauwing, sprongen François en ik een toeristische dertig centimeter in de lucht. Het was duidelijk dat we nog wat moesten ontstedelijken.
Dit zou in rap tempo gebeuren, getuige onze volgende stop. In een hevig bewoonde boom vond Dave na een korte zoektocht een mooi exemplaar van de huntsman spin. Deze spin is op zijn minst groot te noemen en het gevonden exemplaar was daarop geen uitzondering. Nadat Dave er een tijdje mee had geravot, was het onze beurt om haar in het handje te houden. Een handje vol mag ik wel zeggen. Een paar leuke foto’s genomen en daarmee was de kous wel af, dacht ik in mijn naïviteit. Luttele ogenblikken later zat de achtpotige echter comfortabel op mijn gezicht. Nou da’s pas een kodakmoment.
Nog voor de lunch speelden we een typisch bush-Australisch spelletje: The Ant Dance, tevens bekend van televisie. Het principe is uiterst simpel: je zoekt een fors mierennest, trekt schoenen en sokken uit, en danst olijk in het rond op de mierenhoop en daarmee op vele mierenpikjes. De mieren reageren hierop door je collectief op te eten. De sport is zo lang mogelijk stil te staan en daarmee bush socks te kweken (voeten zwart van de mieren). Steve-O deed het in Jack-Ass vijf seconden en dat ‘record’ moest natuurlijk gebroken worden.
Na deze uitleg deed Dave het eerst even voor, waarna wij werden verzocht het spelletje mee te spelen. Het is vreemd hoe de Nederlandse geest in dit soort stressvolle situaties werkt, maar na afweging van één en ander kwam ik tot de conclusie dat ik de lijfstraf maar moest ondergaan; ik had er immers 90 dollars voor betaald…
Toen was het mijn beurt, met de blote voeten op duizenden slechtgehumeurde mieren. De bewegingen die ik aanvankelijk maakte zouden niet misstaan op een houseparty in de jaren negentig. Echter, de meisjesachtige gilletjes waarmee ik het geheel muziekaal ondersteunde waren zelfs voor de disco jaren tachtig te extravagant. (Gelukkig neemt mijn camera geen geluid op). Toen een poosje stilstaan. Verbazingwekkend snel verdwijnen je voeten onder een laken van krioelend mierenvlees. Het voelt alsof duizenden kleine naaldjes je in je voeten prikken. Niet echt pijnlijk, maar zeker geen pedicure. Een seconde of tien later had ik er genoeg van lanceerde ik met genoegen de mieren van mijn voeten. Steve-O was ruim verslagen en ik kan niet anders zeggen dan dat hij een watje is, als het op voeten aankomt.
De reactie van Dave was er één uit duizenden: “Ohw shit, I don’t think your camera recorded this… What? Ohw, was I supposed to keep the button down??”
Vriendjes en vriendinnetjes, zo’n sessie kinky voetjevrijen, zonder lachwekkend bewijs voor het thuisfront is een hoogst onbevredigende bezigheid. Ik wilde dat filmpje, dus er zat niets anders op dan nogmaals de mieren te plezieren.
Sessie twee was een voedersessie van dertien seconden. Toen ik hierna weer miervrij was bleek ik van beide sessies filmpjes te hebben. Die Dave…
Voor de geïnteresseerden: het record van mierendansen is ruim zeven minuten, gezet door een Ier met een blik bier in de hand. Na ongeveer een minuut beginnen de mieren serieus te eten en de Ierse voeten schijnen dan behoorlijk bloedig te zijn geweest, na zijn moedige poging. Wat betreft mijn eigen voeten; ruim een week later zijn er nog steeds bultjes zichtbaar. Dit zou niet de bedoeling moeten zijn, maar zoals gewoonlijk reageer ik vrij heftig op bijtende insecten. Die bultjes gaven in ieder geval wat leuke gespreksstof. Het was, hoe vreemd het ook mag klinken, een bijzonder geinige ervaring.

De lunch werd genoten in een pub ik een klein cattle farm dorpje; het ware Australië. Aan de bar kleefde een oude man die daar al geruime tijd zat te bieren. De man zat mij vol verbazing aan te staren; ik droeg namelijk een t-shirt en de nachten waren op dat moment een stuk kouder dan normaal. Het was voor hem een manier om een gesprek aan te knopen. Dit gesprek ging naar verloop van tijd over naar het onvermijdelijke mysterie waar ik dan wel niet vandaan kwam. Dit ging ongeveer zo:
Met een rode neus en ligt wiebelend van zijn ene voet op de andere vroeg hij “Where are you from?” Ik antwoordde waarheidsgetrouw “The Netherlands”. Zijn gezichtsuitdrukking nam een bijzonder vragende vorm aan en zijn wiebelamplitude nam enigszins toe. Toen hij na tien seconden nog steeds niet had begrepen wat ik zojuist had verklaard, verduidelijkte ik met lichte tegenzin met “Holland”. Bij de verwerking van deze nieuwe informatie begonnen zijn ogen onafhankelijk van elkaar te draaien, alvorens ze voor korte tijd sloten, voor een eindsprint in het denkproces. Toen ze weer openden, opende hij met hen zijn mond en sprak “Aaaah, that’s that little Dutch place, isn’t it?”
De naamgeving van ons landje is dan ook niet eenvoudig voor een oude, beschonken koeienboer uit ruraal Australië… Voor de rest van de wereld overigens ook niet en ik heb dan ook al tientallen malen uit moeten leggen waar al die verschillende naamgeving vandaan komt.

Na de lunch zochten we vergeefs naar slangen. Voor hen was het iets te koud. Wat we nog wel vonden waren een paar geckos (hagedisjes) een pad en een paar red back spinnen. Deze spinnen zijn de op één na dodelijkste van Australië. Dave zag dit echter anders: “Red back spiders are not dangerous. Deadly, yes… But not dangerous”.

Het zal moeder deugen dat ik gedurende de bush tour goed op mijn voeding heb gelet. Zo heb ik mijn portie eiwitten en vezels binnen gekregen door een paar termieten op te peuzelen. Ze smaken naar vrijwel niks, maar aan de goede kant van niks. Als je er een lepelvol van naar binnen kauwt schijnen ze naar de boom te smaken die ze op dat moment aan het verteren zijn.
Voor mijn vitamine C (ik was immers behoorlijk verkouden), heb ik de kontjes gekust van een aantal groene, tropische boommieren. Die zijn gevuld met vitamine C en de smaaksensatie is zo heftig citrus dat je je gezicht maar moeilijk geplooid kan houden. Lekkere kontjes dus en een geinig trucje voor op feestjes, al moet je wel een kudde groene, tropische boommieren in de buurt hebben…

De dag werd afgesloten met een kampvuurtje en een kop koffie en de avonturen van Dave op eerdere tours en tochten. Vele verschillende beesten hebben Dave in het verleden gebeten; spinnen, slangen, noem maar op. Grappig om te horen dat een beet van een duizendpoot hem bijna fataal werd, daar is hij kennelijk allergisch voor…

Vervolgens heb ik in Rockhampton de beste biefstuk van mijn leven gegeten, alvorens ik naar de rodeotraining ging kijken. Een bar in de stad heeft een rodeoring in het etablissement gebouwd en daar word elke week getraind voor de maandelijkse wedstrijd.
Het is een absurde sport. Je neemt een flink stuk stier, je zet er een levensmoede cowboy op en verbind beide met een touw, bij de cowboy rond de hand en bij de stier rond de testikels. En dan onderzoek je hoe lang deze configuratie stand houdt.
In één van de gevallen ging het wat fouter dan normaal. De cowboy gleed langzaam van de stier af en kreeg een hoef tegen het hoofd, waarop de cowboy begrijplijk reageerde door bewusteloos in het zand te gaan liggen. De stier in kwestie nam de hele klotensituatie hoogst persoonlijk op en galoppeerde een keer of vier over het roerloze lichaam heen. Na de eerste keer stopte ik uit schok met filmen; het zag er namelijk niet goed uit. Inmiddels was er iemand aanwezig die met een emotieloos gezicht een hartslag probeerde te ontwaren, terwijl vijf mensen de stier probeerden af te leiden. De stier viel iedereen aan, maar bleef terugkomen naar de onfortuinlijke ballenknijper. Na een halve minuut was de stier nog steeds niet onder controle en tot mijn grote schrik kwamen er plots vijf andere stieren de ring in. Dit bleek echter gepland en de ontdane stier in kwestie werd direct rustig.
Inmiddels was het meisje dat voor ons zat met lijkbleek gezicht richting toilet gerend om niet meer terug te komen voor de rest van het spektakel. De cowboy kwam bij en kon tegen al mijn verwachtingen in op eigen krachten naar de ambulance slenteren. Gedurende de commotie speelden de kinderen nog steeds rond de ring en waren de locals nauwelijks onder de indruk. De training ging dan ook gewoon verder.
Even later was een stier zo ontevreden met de situatie dat hij in het bokken zijn poot brak. Dat was een minder mooi beeld; een stier die in paniek loeiend en met een rondzwaaiend ledemaat nog steeds mensen probeerde te satéën. Ik hoop dat hij snel uit zijn lijden is verlost. Ik heb het filmpje van deze situatie maar niet online gezet; als Agnes Kant het zou zien….
Al met al is het dus een absurd, tamelijk dieronvriendelijk tijdverdrijf. Om het nog wat absurder te maken: kinderen doen het ook. Kereltjes van een jaar of tien kruipen op een kleine stier, pa en ma supporterend aan de rand van de ring…

Ohw ja, over de Aboriginals. Laat ik zeggen dat ik blij was dat ik die avond (het was slechts half tien), met twee andere kerels naar het hostel liep. Er werd ons constant gevraagd of we iets te roken hadden en op een gegeven moment werden we tegemoet gekomen door een oude, dronken Aboriginal man die bleef schreeuwen dat hij ‘hem ging vermoorden’. We waren opgelucht dat het niet één van ons betrof, nadat hij al tierend langs ons was gelopen.
Laat ik ten overvloede nog even vermelden dat de beschreven figuren geen representatieve steekproef vormen voor de Aboriginal bevolking. Als Femke Halsema het zou lezen… Maar nu we op het onderwerp zijn; ik heb zo in de laatste weken wel een mening opgebouwd over het hele Aboriginal aspect van Oostkust Australië:

Uiteraard is het meer dan ellendig wat er in het verleden allemaal is gebeurd. Hele stammen zijn genadeloos afgeslacht, zoals wij blanken dat wel vaker pleegden te doen in onze koloniseringdrift. Maar nog steeds zijn de verhoudingen behoorlijk slecht. De meeste Aborigines leven in hun eigen gemeenschappen, veelal met slechte scholing, gezondheidszorg en een waardeloos toekomstperspectief. Alcoholisme is een reusachtig probleem, waar de Aborigines kennelijk genetisch extreem vatbaar voor zijn. Recent onderzoek laat zien dat de levensverwachting van een Aborigine significant korter is dan van een blanke Australiër (ik dacht een jaar of 10, maar weet het niet meer precies). Er is dus nog steeds een behoorlijke ongelijkheid.
Blank Australië lijkt erg bewust van het aangedane onrecht en diens gevolgen. Overal, in elk museum, zie je Aboriginal exhibities. Ik heb mezelf gedwongen serieus naar een aantal exhibities te kijken en de eerlijkheid gebied me te zeggen dat ik niet erg onder de indruk ben.
Overal zie je exact hetzelfde: boemerangs, didgeridoos, speren en gestippelde schilderijtjes van bijzonder natuurongetrouwe kangoeroes, koala’s en platypussen. Na 46000 jaar oefenen konden ze kennelijk nog steeds niet behoorlijk tekenen (er moet natuurlijk ook gezegd worden dat een moderne Mondriaan in onze ‘rijke beschaving’ ook niet echt van uitzonderlijke intelligentie getuigt. De mensen die daar miljoenen voor neertellen nog veel minder).
Kortom, het komt op mij over dat de Aboriginal cultuur lang niet zo afwisselend en interessant is als vaak wordt geschetst en dat alle aandacht die er middels musea aan wordt besteed meer uit schuldgevoel is, dan uit historische significantie. Daarnaast is het natuurlijk ook een mooi middel om toeristen nog een paar dollars uit de zak te kloppen, die vermoedelijk in blanke handen blijven.
Dit alles neemt natuurlijk niet weg dat de cultuur best interessant en uniek is, als je dat soort dingen gaaf vindt. Immers, boemerangs zijn cool en didgeridoos grappig. De Aboriginal overlevingscapaciteit in jungle en woestijn zijn indrukwekkend. Maar dit alles neemt niet weg dat het allemaal behoorlijk gehyped wordt, in mijn ogen.
Het is maar een indruk die ik heb en misschien dat die verandert na mijn bezoek aan The Northern Territory, waar er veel meer Aboriginal cultuur te vinden is, dan aan de Oostkust. En misschien ben ik wel gewoon veel te bekrompen en afgestompt in mijn luxueuze Westerse wereldje om de pracht van andere, oudere culturen te kunnen waarderen… Waar anderen live Aboriginal muziek als een unieke ervaring schetsen, durf ik te beweren dat het je meer gehoorbeschadiging kan opleveren dan een goedgemikte boemerang…

Mackay
De volgende stop was Mackay. Een tamelijk grote stad die bijzonder dood is. Het ziet er wel geinig uit, met honderden palmbomen langs de straten en een leuke kustlijn, maar dat op zondag de grote supermarkten Coles en Woolworths gesloten waren, wil toch wel wat zeggen (Deze zijn vaak 24/7 open, zelfs in kleinere plaatsjes).
Het hostel waar ik verbleef was een beetje vreemd. Het bed was echter wel bijzonder comfortabel. Alleen een beetje jammer van de bedbugs waarvoor ik twee nachten lang de catering heb verzorgd.
In mijn kamer was een reisgrage Australiër die een interessante gesprekspartner vormde. Eén van de gesprekken ging over mijn studie en onderzoek in Newcastle. Zoals iedereen die niet Nederlands is reageerde ook hij met oprechte interesse, in plaats van de ongeïnteresseerde reactie ‘Ja, dat moet ook gebeuren’, die menig Nederlander eigen is, wanneer ik mijn studie openbaar maak. Het is nog steeds verfrissend om mensen te kunnen vertellen waar je mee bezig bent en dat ze dat serieus interessant en belangrijk vinden en dat gebeurt hier gedurende het reizen maar al te vaak.

Mijn hoofdactiviteit in Mackay was een platypus safari. Met een gezelschap van vijf toeristen en één gids gingen we naar Eungella National Park. Een prachtig gebied, groter dan Nederland, met één van de oudste regenwouden ter wereld. Op weg er naartoe passeerden we oneindige velden met sugar cane; de suikerindustrie is de hoofdindustrie in die regio.
In Eungella hebben we een korte wandeling gemaakt door het woud, waar één en ander werd verteld over de aanwezige planten en bomen en we bezochten een aardige waterval. Het viel me op dat ik gedurende mijn verblijf in Australië al veel gezien heb. Veel van de dingen die werden verteld wist ik al en van de dieren die ik zag had ik meestal al mooiere exemplaren gezien
In de middag gingen we dan op zoek naar de schuwe platypus (het vogelbekdier), die daar in het wild leeft. Eén van de laatste typisch Australische dieren die ik nog niet in het wild had gezien (er zijn überhaupt niet veel mensen die het dier in het wild hebben gezien). En na een tijdje het water afspeuren kwam er dan één. Toch wel geinig.

Airlie Beach
Bij aankomst in Airlie Beach werd ik overvallen met een heviger vakantiegevoel dan voorheen. Het is een klein, megatoeristisch, mooi dorpje, dat ondanks alle bezoekers nog steeds onthaastend aanvoelt. Het is de plek bij uitstek om op een bootje te stappen en de prachtige Whitsunday Islands te bezeilen. En dat is dan ook precies wat ik daar ging doen.

Whitsunday sailing
Voor drie dagen en twee nachten zou ik me bevinden op The Avatar; een moderne, supersnelle trimaran (catamaran met een extra drijver in het midden). Het is een prachtige schuit, met redelijke luxe zover als dat gaat in dat soort vaartuigen. Twee grote netten tussen de drijvers waren de optimale plek om te relaxen, hoewel het benedendeks ook prima vertoeven was.
Het jacht zat volledig vol: 23 passagiers en vier crewleden. Het was een uiterst Canadees geheel, met een groep van 8 Canadese leraarstudenten, een groep van vier Frans Canadezen en een Canadese kok. Daarnaast nog een hoogst geinig gezelschap van vier Ieren en twee Deense vrienden en dan een aantal individuen in de vorm van een Ierse, Engelse, Duitser, een Australiër en ikzelf. Ik ga verder niet te veel uitweiden over alle individuen, maar de Ieren waren het gaafst; een koppel en haar broer en een vriend. Dat koppel bezoek ik wellicht over een paar weken als ik weer in Sydney ben, daar wonen ze namelijk.
De crew was al even geinig. De skipper Murray was slechts 21 en had een leuke manier van uitleg geven. Als ervaringscompensatie was daar Davo, een oudere kerel en als traktatie voor zowel oog en maag was daar de Canadese Cory, die fantastische maaltijden bereidde in zowel kwaliteit als kwantiteit.
De tocht was eco geaccrediteerd en we mochten derhalve niet lullig zijn voor de natuur. Dit werd gegarandeerd door de instelling van één van de ergste lijfstraffen denkbaar: als je iets overboord liet vallen, moest je een eetlepel Vegemite slikken. Geloof me, da’s erger dan keilhalen. Gelukkig was ik braaf en bleef ik Vegemite-vrij.

Dag één motorden we naar Turtle Bay. Het weer was perfect; zon, warmte en geen wind, want wind is koud deze tijd van het jaar. Instantane ontspanning zette in, terwijl ik tussen Canadese be-bikini-de borsten het eerste biertje tot mij nam.
Turtle Bay heet Turtle Bay, omdat er zoveel grote zeelschildpadden te zien zijn. Een goede reden om met een snorkelsetje overboord te springen. Prachtig koraal, prachtige kleurige vissen, klein en groot, en reusachtige zeeschildpadden die eindeloos relaxed door het water glijden en zich nauwelijks storen aan die lijpe toerist met zijn onderwatercameraatje vlakbij hem. Sterker nog, ze vonden het zo af en toe wel interessant om voor je te poseren. Helaas was de kwaliteit van mijn wegwerpcameraatje wat betreft belichting niet geweldig en de meeste foto’s zijn dan ook hopeloos, sommige anderen slechts acceptabel.
’s Avonds geankerd in een idyllisch baaitje, alwaar wij na een uitstekende avondmaaltijd gewapend met bier en wijn elkaar beter leerden kennen. Er werd een vreemd laag-tempo, ritmisch drinkspelletje gespeeld waarin je dieren moet uitbeelden. Best geinig. Het spelletje werd kort onderbroken om de maansopgang te bewonderen, een fenomeen wat de crew slechts eens in de drie jaar in deze vorm kon zien.
Tenslotte geslapen in mijn kleine hutje in één van de buitenste drijvers, die ik deelde met de Australiër.

’s Ochtends werd er direct begonnen met een snorkelsessie. De mooiste van de tocht. Prachtig koraal, soms niet dieper dan veertig centimeter (da’s best voorzichtig snorkelen), met hele diepen kloven ertussen. Vissen, schildpadden, zeesterren, het één nog kleuriger dan het ander. In de verte kon je de waterexplosies zien van doorbrekende walvissen, maar helaas te ver weg om de walvissen zelf te kunnen bewonderen.
Na het snorkelen motorden we verder naar Whitsunday Island, met het prachtige Whitehaven Beach. Gedurende de tocht speurden we de horizon af voor walvissen, dolfijnen en ander maritiem creatuur van aanzienlijke afmetingen. Aangekomen in de baai van bestemming werden we met een klein bootje aan land gezet, om eerst naar de lookout te lopen. Het uitzicht hier was adembenemend, de plek waar menig ansichtkaart is gefotografeerd. Paradijs in haar puurste vorm.
Daarna naar het strand Whitehaven Beach, het op drie na mooiste strand ter wereld, volgens de officiële ranking. Het witte zand is voor 98 procent silicium en heeft menig camera het leven gekost (kennelijk reageert het silicium binnenin de camera niet zo goed met de ongecontroleerde vorm erbuiten) en ik vrees dat de mijne er ook onder heeft geleden, hoewel hij het nu weer lijkt te doen.
Weer terug naar The Avatar voor de avondmaaltijd en de overnachting, maar eerst weer een gezellige avond die door sommige werd afgesloten met een nachtelijke, koude zwempartij. Dit was toch niet helemaal de bedoeling, aangezien de tijgerhaai ’s nachts foerageert. Iedereen behield echter alle ledematen, dus geen man overboord (figuurlijk dan).

De volgende dag was het weer lekker weer, maar dit keer met wind. Dit had als nadeel dat het koud was, maar als voordeel dat we ons bootje ook in actie zouden zien. Maar eerst nog een portie snorkelen!
Na het gezamenlijk hijsen van het grootzeil hadden we al snel een aardige snelheid. Het fijne extraatje hier was dat deze schuit volledig recht bleef, waardoor je dus volledig ontspannen in één van de netten kon liggen, met niks dan het geluid van de zee en je eigen gedachten. Dat deze gedachten niet veel dieper waren dan ‘wat zal ik vanavond eens gaan eten’ en ‘hoeveel kilo’s zouden er in die reusachtige Canadese borsten gaan’ (uiteraard uit zuiver wetenschappelijke interesse), zegt iets over de vergevorderde staat van ontspanning.
Voor een wederom uitstekende lunch legden we aan in de baai van een heel duur resort, alvorens we weer terug naar Airlie Beach zeilden. Gedurende dit laatste stuk viel ik in slaap en met mij een heleboel anderen.
Na terugkomst werd er nog gezamenlijk naar de kroeg gegaan voor een avondmaaltijd en afsluitende gezelligheid van een absoluut hoogtepunt van mijn reis.

Magnetic Island
20 Kilometer uit de kust van Townsville ligt Magnetic Island, ’s werelds grootste Koalareservaat en een buitengewoon prachtig eiland. Hier vind je de meest maagdelijke baaitjes aan de voet van rotsachtige heuvels, alleen bereikbaar middels een stevige wandelpartij.
Aangekomen in mijn hostel werd ik hartelijk ontvangen door Richard en Sebastién, die ik daar voor de zoveelste keer ontmoette. Ik checkte in, dumpte mijn spullen, en voegde mij tot het drinkgezelschap. Een prima avond.
Minder aangenaam was de nacht. We verbleven in bijzonder sfeervolle hutjes, hetgeen niet veel meer was dan een dak op een frame. De muren waren grotendeels vervangen door muggengaas, waardoor een meer dan fris briesje Fraser Island herinneringen opriep. Deze winter is de koudste ooit in Australië, heb ik me laten vertellen. (Uiteraard nog steeds niet te vergelijken met Nederlands warmste winter)
Behalve de thermische problematiek die het muurbezuinigsbeleid met zich meebracht, was er ook een zeker akoestisch element dat ik wil aanstippen. ’s Ochtends rond een uur of acht ontwaakte ik uit een nachtmerrie over een hypermug met megazuig door het geluid van één of meerdere bladblazers die intensief bladeren aan het blazen waren. Dit soort ongepland ontwaken door een sessie tuinieren met luisteraars zette mij tot denken. Om te beginnen; waarom bladeren blazen? Iedereen weet dat het eerstvolgende lentebriesje alle moeite vergeefs maakt. Daarnaast kan met dezelfde hoeveelheid energie het proces worden omgedraaid waardoor een bladzuiger gecreëerd wordt. Ruimt wel zo lekker op, dacht ik zo.
Belangrijker; waarom bladeren blazen/zuigen om 8 uur ’s ochtends? Waarom staan Freek en Herman de bladblazers/zuigers nog voor zonsopgang op om gezamenlijk bladeren te gaan blazen/zuigen? Dit is namelijk een proces dat gedurende alle zonne-uren van de dag uitgevoerd kan worden. Het is namelijk niet zo dat Freek en Herman een druk schema hebben. Na de ochtendblaas/zuig snoeien ze nog een struikje, alvorens tot een licht alcoholische, dagvullende siëstastatus over te gaan.
Dit is overigens iets wat ook in alle hostels te zien is. Check-out is zelden na tien uur ’s ochtends, vaak vroeger. Backpackers moeten dus moe en bekaterd hun schamele bezittingen bij elkaar sprokkelen en in een te kleine rugzak duwen, terwijl het al even vermoeide en bekaterde personeel (ook backpackers) binnen een uur of twee alle kamers soort van schoonmaakt. Tegen twaalf uur is alles dan gereed voor check-in, wat vrijwel niemand rond die tijd doet, en heeft het personeel de rest van de lange dag geen sodemieter te doen. Al met al een bijzonder inefficiënte manier van etmaalindeling, als je het mij vraagt…

Op het eiland heb ik dag één doorgebracht met wandelen en snorkelen, met Franse vriend Sebastién. Zoals eerder gezegd; het eiland is magnifiek en ik hoop dat de foto’s hier een fractie van kunnen representeren.
Dag twee heb ik deels doorgebracht in het aan het hostel grenzende, kleine wild life parkje. Hier kreeg je om de vijf meter een dier in je handen gedrukt, waarvan uiteraard stapels foto’s werden gemaakt. Het begon met een niet al te grote saltwater crocodile, optimistisch Godzilla genaamd, en ging via cockatoo, salamander en slang naar de koala. Tussendoor nog wat wallabies gevoerd en al met al dus een bijzonder diervriendelijke dag.
Na een laatste eilandlunch die ik nauwelijks uit de gretige klauwtjes van de aanwezige possums kon houden, stapte ik weer op de eilandbus en de veerboot, terug naar vasteland.
Het was op de veerboot dat ik realiseerde dat ik de honderd dollar, een pakketprijs voor accommodatie, vervoer en koalaknuffelen, nooit had betaald. Waarschijnlijk een communicatiefoutje tussen het hostel waar ik had geboekt en het hostel in kwestie. Men had wel mijn creditcardnummer, wat je hier dagelijks geeft om je boekingen veilig te stellen (dus zonder betalingstoestemming), maar dankzij de Rabobank hoefde ik niet bang te zijn dat me via die weg geld afhandig gemaakt zou worden. Een gunstige situatie dus, waar ik buiten mijn schuld om in verzeild was geraakt. En daarmee een prima excuus om elders honderd dollar aan nutteloze dingen en te duur voedsel over de balk te smijten.

Townsville
Na het korte veerboottochtje bevond ik me dus weer in Townsville; een sfeervol stadje met zo’n 150.000 inwoners, een goed hostel en een prima bioscoop, alwaar ik twee avonden genoeglijk naar rolprenten heb getuurd.

In Townsville heb ik de teenslippers weer eens omgeruild voor degelijker schoeisel, voor een stevige klim naar Castle Hill. Castle Hill is een piek waar vreemd genoeg geen kasteel te vinden is, maar waar een kasteel zeker niet zou misstaan. Het is een aardige klim omhoog, langs een lange, rotsachtige trap. Eén van de foto’s laat de berg zien en ik kan enige trots niet onderdrukken wanneer ik vertel dat ik 20 minuten na het nemen van die foto op de top stond.
Het uitzicht is aangenaam. In het Oosten Magnetic Island, in de andere windrichtingen het uitgestrekte Townsville Suburbia.

Na deze training ben ik de stad ingegaan, en heb ik ‘The Strand’, een levendige boulevard, verkend. Aan het einde van The Strand bevinden zich The Rock Pools (meervoud); een uit rots uitgehouwen zwembad (enkelvoud). In Noord Queensland is het namelijk niet zo’n jofel idee om gedurende de zomer de zee in te gaan, aangezien het meest giftige dier ter wereld daar dan massaal baantjes trekt: The Box Jellyfish. Eén zo’n klein kwalletje is in staat om dertig mensen een behoorlijke pijnlijke dood te laten sterven. Een Rock Pool is dan nog niet zo’n slecht alternatief.
Tevens heb ik me een aantal uren vermaakt in Reef HQ; een groot aquarium in het teken van het Great Barrier Reef. Prima opgezet en leuk voorspel voor mijn latere duikcursus.

Mission Beach
In Mission Beach wachtte mij een bijzonder relaxed hostel. Erg veel was er niet te doen, maar dat was dan ook niet waar het het hostel om te doen was. Menig gast lag rondom het zwembad wat te ademen en hier en daar durfde een individu het aan wat lichte proza te lezen. Na met zichtbare moeite een aantal bladzijdes omgeslagen te hebben, werd er meestal weer een uurtje uitgerust.

De volgende ochtend trilde mijn goedkope Nokia mij al heel vroeg wakker. En vijf minuten later werden de jongen en het meisje in mijn hutje wakker geklingeld door een al even goedkope Nokia’s (alle backpackers hebben hier exact dezelfde goedkope, rode Nokia). Wij zouden gaan raften op de Tully River.
We werden opgehaald in een klein persoonlijk busje, maar al snel werden we samen met de inhoud van verschillende kleine, persoonlijke busjes in twee grote, onpersoonlijke touringbussen geknikkerd. De Tully River is populair, zo blijkt.
Deze populariteit is overigens niet ongegrond. Er zitten een aantal uitstekende stroomversnellingen en watervallen in de rivier, veel daarvan van klasse 4. Helaas was het water tussen deze attracties vrij rustig en moesten we vanwege de grote drukte erg veel wachten. Het maakte de adrenaline er niet minder op, wanneer je als één van de enige nog net binnenboord bleef, terwijl je bootgenootjes met sierlijke bogen en indrukwekende oerkreten in het witte water werden gelanceerd.
Na het raften werden een aantal best gave foto’s getoond. Helaas bleken deze 15 dollars per stuk te kosten, wat natuurlijk volledig nergens over gaat. In plaats daarvan besloten wij als groep één foto aan te schaffen en deze rond te mailen. Het was zeker niet de gaafste foto, maar één van de weinige waar iedereen soort van herkenbaar op staat. De meeste andere foto’s omvatte over het algemeen een riante hoeveelheid ongecontroleerd water op hoofdhoogte.

De volgende dag heb ik een wandeltochtje gemaakt door het regenwoud, met als hoofddoel het spotten van de Southern Cassowary. De Cassowary is een bijzonder prehistorische, lelijke, kleurige en domme loopvogel, van struisvogelachtig formaat die alleen nog maar in een heel klein stukje Noord-Queensland voorkomt. Hij is behoorlijk belangrijk voor het regenwoud, omdat het de enige vogel is die groot genoeg is om de zaden van zo’n 80 verschillende florasoorten op te eten en elders uit te schijten. Helaas heeft de vogel een voorliefde voor snelle auto’s en dit is één van de vele redenen waarom het dier nogal met uitsterven wordt bedreigd. Volgens schattingen zijn er nog maar 1500 Cassowaries over. Dit is overigens niet omdat het beest zichzelf niet kan verdedigen. Mocht je een boze Cassowary tegenover je hebben dan kun je maar beter achter een boom gaan staan, want het beest is behoorlijk snel en maakt dropkicks met zijn belachelijk schadelijke klauwen en bewerkt je met de snavel, mogelijk tot de dood erop volgt. Hij is hiermee ’s werelds meest dodelijke vogel. Meestal echter, interesseren ze zich niet zo in mensen.
Na tien minuten lopen kwam de eerste Cassowary in zicht. Na wat foto’s liep ik er langs om na een kwartiertje een tweede exemplaar tegen te komen. Deze kwam twee meter voor me uit de struiken het pad overgestoken, in het zonnetje. Een waar Kodakmoment, helaas verre van optimaal benut doordat mijn camera te traag was. Maar de eerste heb ik toch redelijk op de foto weten te krijgen.

Cairns
Cairns, min of meer het eindpunt van mijn tocht. Een door en door toeristisch gebeuren dat ik na ruim acht weken reizen wel zo oninteressant vond dat ik er geen enkele foto van heb gemaakt. Het strand is een grote, stinkende modderpoel en het is dan ook niet vreemd dat iedereen rond The Lagoon, een kustzwembad, hangt. Het enige goede aan Cairns is eigenlijk het verlaten van de stad om één van de vele geweldige activiteiten te ondernemen die de prachtige omgeving mogelijk maken. Dat en een bruisend uitgaansleven zorgen voor een reusachtige hoeveelheid geld die de toeristensector daar dagelijks binnenhaalt.

De eerste hoofdactiviteit en wellicht hét hoogtepunt van mijn tocht was mijn vijfdaagse PADI Open Water duikcursus. De eerste twee dagen stonden in het teken van simpele theorie en leuke oefeningen in het zwembad. Zo wordt je voorbereid op allerlei situaties van veel voorkomende tot uiterst zeldzame situaties en noodgevallen. De laatste drie dagen zouden doorgebracht worden op een bootje op The Great Barrier Reef.
Ik was zo fortuinlijk om als buddypaar aan de schone, Zweedse, sympathieke Anna gekoppeld te worden. Een meisje half zo groot als ik, die dankzij dit verschil in massa meestal nog stapels lucht over had, als ik alweer naar de oppervlakte moest (en zij dan dus ook).
De tocht over open zee naar het reef duurde een uur of drie. Het weer gedurende deze tocht, alsmede de rest van de drie dagen, was verre van perfect. Een harde wind en veel bewolking. De tocht was een wilde, waar eenieder die eigenwijs genoeg was geen zeeziektepillen te slikken, ter vermaak diende van de verstandigere meerderheid. Op het Reef aangekomen is het, vanwege het reef, een stuk rustiger. Helaas, vanwege het weer, niet de plaatjes zoals op de brochures, waarbij je de schaduw van de boot op het kleurrijke koraal op de bodem kunt zien, met allerlei visspul ertussenin. Gelukkig was het zicht eenmaal onderwater nog steeds goed; vijftien tot twintig meter.
De eerste dag waren er twee duiken, beide redelijk vol met dezelfde oefeningen als in het zwembad. Uiteraard zie je een hoop gave dingen, maar erg veel tijd heb je er niet voor, wanneer je onder water onder andere je duikbril af en weer op moet doen, zuurstof moet lenen bij je buddy en je materiaal moet uittrekken en weer aandoen.
De tweede dag, op een andere locatie waren er vier duiken. Twee ervan zoals de dag ervoor, nog voor de lunch, zodat we met de lunch gecertificeerd waren. De derde duik was dan onze eerste zonder instructeur, alleen met je buddy. Toen begon het pas echt; alle tijd om de onderwaterwereld te verkennen. Hoewel, alle tijd… Een duik duurde doorgaans niet veel langer dan een half uur, tegen die tijd was de lucht wel op. Prachtige duik, erg veel gave dingen gezien.
De vierde duik was een nachtduik. Nog kouder dan voorheen om weer in je natte wetsuit te kruipen, met die ellendige koude wind. Maar zeker de moeite waard. Hoewel we in het begin met onze zaklampjes maar weinig bewegends konden vinden, werd het naar het einde toe beter, met als hoogtepunt, net voordat we weer naar boven gingen, een twee meter langer Grey Reef Shark.
De derde dag was een drukke. De voorbije dagen waren we al steeds belachelijk vroeg opgestaan, maar deze dag was met half zes een record. Nog voor zonsopgang (die uiteraard belabberd was door alle wolken), kregen we nog voor het ontbijt de eerste duikbriefing. Net na zonsopgang, gewapend met een duur gehuurde onderwatercamera het water in, voor de gaafste duik die ik heb gemaakt. In de hoofdrol een stuk of twaalf zeeschildpadden, een kudde barracuda’s, een Maori Napoleon Wrasse van anderhalve meter en een twee meter lange White Tip Reef Shark. Daarnaast natuurlijk een onbeschrijflijke hoeveelheid kleurrijke, vreemde en kleine en grote vissen (een meter lengte is niks). Helaas heb ik geen walvissen gezien, in tegenstelling tot twee andere duikers op de boot. Het is namelijk walvissen seizoen en de Minke Whale en Humpback Whale worden menigmaal gespot.
Een andere grappige anekdote is dat ik gedurende mijn vreemde bewegingen om een Reuze-oester te fotograferen, plots iets van me af voelde glijden; mijn gewichtengordel, een tamelijk essentieel stukje technologie om onder water te blijven. Nog voordat de gordel de bodem raakte, was ik al in hoog tempo op weg naar de oppervlakte, wat zoals eenieder weet bijzonder vervelende gevolgen kan hebben voor je gezondheid. Gelukkig was het er toevallig maar 5 meter diep, (dit wil je niet op dertig meter) en kon ik nog voordat ik twee meter was gestegen terug naar de bodem zwemmen om mijn gordel weer op te pakken en weer aan te doen. De enigszins geschrokken reactie van mijn instructeur toen ik het verhaal vertelde was dat hij blij was dat we dat soort dingen geoefend hadden. Wat dat betreft moet ik ook zeggen dat de voorbereiding in de eerste drie dagen zo gedegen is dat ik me nooit oncomfortabel heb gevoeld onder het water, inclusief de haaien, de giftige Lionfish, scherp koraal en een verloren gewichtengordel.
Na de duik een prima ontbijt (al het eten was trouwens erg goed en voornamelijk erg veel; gemiddeld 5 maaltijden per dag), om een uurtje later alweer voor de tweede keer in het water te liggen, op een andere locatie. Toen net voor de lunch nog een derde duik gemaakt, alvorens het tijd was voor de zeeziektepillen voor een nog veel ruigere terugtocht.
Terug aan land was er uiteraard een afterparty, waarbij iedereen tegen elkaar aanschreeuwde vanwege de vele liters water die verdeeld waren over de oren. Dit effect zou bij mij en een aantal anderen nog ruim een week aanhouden (ontzettend irritant), omdat we toch wat problemen hadden met oren klaren en daardoor wat vocht achter de trommelvliezen hadden gekregen. Niks ergs aan, gaat vanzelf over, maar het duurt retelang.
Ondanks dit detail is duiken het gaafste wat ik in tien weken heb gedaan en zeker iets wat ik vaker ga doen. Wanneer ik terug ben in Eindhoven zal ik eens informeren bij Studentenduikvereniging Blub, of die nog wat leuks doen. En de duikvereniging in Newcastle doet misschien ook wel iets gaafs.

Een andere hoofdactiviteit was een tweedaags bezoekje aan The Daintree, het oudste regenwoud ter wereld, ten Noorden van Cairns, met als hoogtepunt Cape Tribulation. Dit is het eerste stukje Australië door Cook vernoemd, nadat hij wat verder in het Noorden zijn schip The Endeavour bijna tot zinken had gebracht op The Great Barrier Reef. Hij was gedurende het hele gebeuren tamelijk slecht gehumeurd, wat blijkt uit naamgeving als Mount Sorrow en het hele tribulation gebeuren en dat soort dingen.
Hoe dan ook, Cape Tribulation is een kaap met een strand Noordelijk en strand Zuidelijk die grenzen aan het regenwoud. Met andere woorden; het ene moment loop je door een jungle, het volgende moment lig je op het strand. Erg bijzonder. Nog bijzonderder is het dat het daadwerkelijke Reef luttele meters uit de kust begint.
De eerste dag had ik een tour langs alle hoogtepunten van de Daintree, beginnend met een prima dierentuintje, daarna The Mossman Gorge, toen een cruise op de met gevaarlijke  Saltwater Crocodiles bezaaide Mossman River, en eindigend bij mijn hostel nabij Cape Trib. Onderweg nog maar weer eens een Cassowary gezien, waarmee de score op 3 van de 1500 staat, wat me niet verkeerd lijkt.
De volgende dag wat rondgewandeld in de prachtige omgeving, waar ik vooral van de Mangroves heb genoten, uiteraard goed uitkijkend voor krokodillen.
’s Middags zou ik gaan Canopy Jungle Surfen. Een attractie waarbij je langs een kabelbaan door het regenwoud surft, waardoor je de boel eens vanaf de bovenkant ziet. Een geinige activiteit, waarbij het bijzonder goede personeel zijn uiterste best deed om me iets te vertellen over de flora, fauna en historie wat ik nog niet wist. Zonder al te veel succes. Maar ja, tien weken om de Oostkust te bekijken kan natuurlijk niet zonder hier en daar wat op te steken.
Een schokkend aspect aan het hele Cape Trib gebeuren was wel de onvoorstelbare hoeveelheid Nederlanders. Tot zover had ik het nog aardig getroffen en was ik op de meeste tours en grote activiteiten (Fraser Island, Whitsundays, duikcursus) de enige Nederlander. In de dagtour en het Jungle Surfen was ruim de helft Nederlander en dan geen backpackers, maar gezinnen, ongetwijfeld in caravans. Een uiterst vreemde gewaarwording.

De rest van de dagen die ik in Cairns was, tussen de activiteiten in, bracht ik veelal door met Anna, mijn duikbuddy en Emma en Kristina, twee andere Zweedse meiden van de duikcursus. Anna komt trouwens uit Uppsala, dus die bezoek ik wellicht nog als ik  Aert en Victory ga bezoeken, hopelijk binnen niet al te lange tijd.
Tot mijn grote verrassing werd ik ook herenigd met Sandro, mijn beste Duitse maat uit Newcastle. Stapels verhalen en foto’s uitgewisseld onder het genot van een stevige pot pils. Tevens de eerste plannen gemaakt voor een bezoek van hem en zijn vrienden aan Eindhoven voor Nieuwjaar, dus wie weet…
De volgende dag was Sandro vergezeld door Hannes, één van zijn vrienden waar we in Melbourne verbleven. Nog een dag later was Sandro weer weg, maar Richie, één van de andere Duitse gastheren in Melbourne verving hem. Net nadat ik weg was schijnt ook de derde, Michael, in Cairns te zijn aangekomen. Best geinig dus en het maakte de laatste uitgaansavond een stuk gaver.
Toen ik, net voor mijn vlucht naar Sydney nog een meisje tegenkwam die ik negen weken geleden in Port Macquarie was tegengekomen, was ik niet echt meer verbaasd. Ook niet toen ik hoorde dat Sandro een Noorse gast waar we in Melbourne mee uithingen midden in de woestijn was tegengekomen en dat diezelfde kerel dan weer naast Laura uit Melbourne zat op een vlucht een aantal dagen later. Iets wat ik later weer via Laura te horen kreeg. Australië, hoe groot het ook mag zijn, is een mysterieuze aaneenschakeling van vreemde herhaalde ontmoetingen.

Twee dagen voor mijn vlucht naar Sydney had ik eindelijk de beschikking over een werkende creditcard en bankpas, waarmee ik eindelijk weer bij mijn Nederlandse rekening kon. Een week of negen heeft de Rabobank dus nodig gehad om hun schandalige fout goed te maken. Dat dit ‘zo snel’ geregeld is, is alleen maar omdat ik na een tijdje zelf maar aan het bellen ben gegaan, om de passen op de juiste plaats te krijgen. Anders had ik ze vermoedelijk nog steeds niet…

Sydney
Terug in Sydney aangekomen had ik eigenlijk als hoofdactiviteit het opzoeken van mijn leuke reisagente, om haar te vertellen hoe het allemaal was geweest. Het was een leuk weerzien op haar werk, maar helaas geen afspraakje voor die avond, want behalve dat ze een beetje ziek was, moest ze tevens een vriendin entertainen die ook net terug was van vakantie. In plaats daarvan maar naar de bioscoop met Emma en Kristina, die een dag eerder naar Sydney waren gevlogen. Harry Potter 5, best verwarrend als je delen 2 t/m 4 niet hebt gezien…
Toen ik de volgende dag de uitnodiging kreeg wat te gaan eten/drinken die avond moest ik afzeggen, omdat ik terug naar Newcastle ging om daar een laatste glimp op te vangen van de Engelse Steph en Duitse Christina, de laatste overgebleven bekenden, die over een paar dagen vertrekken.
Gelukkig is Sydney niet zo ver, dus waarschijnlijk stap ik binnenkort op de trein voor een hapje en/of drankje…

En zo kwam er een einde aan mijn avonturen van mijn eerste en langste reis. Het was, zoals hopelijk wel duidelijk is geworden, een fantastische ervaring met vele, vele goede herinneringen en een heleboel nieuwe vrienden die ik hopelijk later nog eens terugzie.
De duur van de reis was nagenoeg perfect. Nooit heb ik me moeten haasten (veel mensen doen dezelfde afstand in 10 tot 20 dagen, uiteraard met een stuk minder activiteiten), en ik heb alles gezien en gedaan wat ik wilde, en meer. Een goed voorbeeld hiervan is het aantal gespotte dieren. Nagenoeg elk typisch Australisch dier heb ik zowel in gevangenschap als in het wild gespot, inclusief de Platypus en de Cassowary. Al met al niet iets wat veel van mijn medereizigers kunnen zeggen.
Dus… rest mij niet veel anders dan een beetje aan mijn stage te werken, alvorens ik de backpack opnieuw op de rug neem, om het midden van dit prachtige land te verkennen!

Reizen: Rainbow Beach tot en met Town of 1770

June 30th, 2007

Hey daar, welkom terug!
Terwijl ik nog aan het bijkomen ben van een fantastische activiteit zojuist en een hevige verkoudheid, leek het me weer een goed moment om het woord tot mijn familie en vrienden thuis te richten. Immers, er is inmiddels al weer een heleboel gebeurd, de zojuist gedane activiteit niet de minste. Wat die activiteit was? Tja, daarvoor zul je eerst de rest van de onzin moeten lezen. Want hoewel mijn schrijven zelden logisch is, het is op zijn minst chronologisch.

Rainbow Beach
Ik heb 3 dagen in Rainbow Beach doorgebracht, hetgeen mij volleerd maakt wat betreft het bruisende central business district van dit dorp met amper 1000 inwoners. Er is weinig te beleven, om een understatement te gebruiken. Dat de plaats toch populair is bij backpackers is dan ook voornamelijk omdat veel van hen vanuit Rainbow Beach naar Fraser Island gaan. Voor anderen (zoals ik, die vanuit Hervey Bay naar het eiland gaat), is er het mooie strand en het uiterst gezellige hostel ‘Dingos’ waar ik verbleef.

Vlakbij het dorpje bevindt zich de Carlo Sandblow; een hoop zand groter dan wat half Duitsland jaarlijks op de Nederlandse stranden weg schept. Deze duin biedt een uiterst rustgevend uitzicht over de dorpjes Rainbow Beach en Tin Can Bay en het bekijken van de zonsondergang was op mijn eerste (en heldere) dag zeker geen straf.

In het hostel waren de drie hoofdactiviteiten eten, drinken en pool spelen. Voor een schamele 4 dollars kon er elke dag een prima maaltijd (aan)geschaft worden en de bar hanteerde schappelijke prijzen. Het is hier dat Daniel en ik een pool-fotosessie zijn begonnen om het zo belangrijke aspect van ons reizen voor nageslacht en andere geïnteresseerden vast te leggen. We bemerkten zowaar verbetering in ons spel; ongetwijfeld de druk van toekijkend vaderland.

Fraser Island
Fraser Island is het grootste zandeiland ter wereld, op de World Heritage List, zoals zoveel dingen in Australië. De Aborigines noemden het al ‘paradijs’ en vele bezoekers sindsdien konden het niet beter uitdrukken. Het eiland is qua oppervlakte ongeveer een tiende van Nederland en het bevat meer zand dan de Sahara. Het is echter veel meer dan alleen een grote ground zero van een door nijdige extremisten opgeblazen zandkasteel. In al dat zand groeien grote bossen regenwoud en zijn er zoetwatermeren met kristalhelder water. Visualiseer hierin wat heilige Aboriginalrotsen (die lui verklaren werkelijk elke steen heilig), een paar roestige scheepswrakken en een meute wildlife en je krijgt een beeld van Fraser Island.

In mijn hostel in Hervey Bay kwam ik om kwart voor 6 ’s ochtends hevig vermoeid mijn bed uitrollen, onder een strakblauwe lucht. De briefing voor de self-drive safari zou in een half uurtje beginnen en ik zou de mede-backpackers ontmoeten met wie ik de komende drie dagen in een 4×4 jeep over het eiland zou crossen.
Gedurende de briefing werden de 17 aanwezigen verdeeld over twee auto’s en kregen we uitgebreide instructies over het reduceren van de impact op het fragiele ecosysteem aldaar en wat te doen om niet door de abundante Dingos (wilde honden) partieel te worden geconsumeerd.
Na de briefing werden we in twee auto’s gegooid (mijn groep 9 groot, de andere 8), werd alle kampeermaterieel en bagage nagestuwd en werd het geheel overgoten met een aanzienlijke hoeveelheid alcoholhoudende drank, die ons op onze noeste survival experience warm zou moeten houden.

Mijn groep bestond uit Richard (Engels), James (Engels), Alex (Engels), Clive (Engels), Karl (Frans van Zweedse origine), Ulf (Noors), Elizabeth (Duits-Italiaans), Jasmin (Duits-Zwitsers) en ik. In de andere groep zaten een Iers koppel, een Schots koppel, een Duitse kerel, een Engelse kerel, een Nederlandse meid en een reserve-Ier.
Speciale vermeldingen hier verdienen:
Richard, een aardige Harry Potter look-alike met wie ik nog wat tijd zou doorbrengen in Town of 1770.
James, een bijzonder relaxte, stil-doch-grappige kerel die zijn verjaardag vierde op de derde dag.
Clive, een 34-jarige grijzende, hyperactieve sportinstructeur met twijfelachtige geaardheid die, zodra je door de dikke adhd-laag heen prikte, een uiterst aangename kerel bleek. Zijn verleden als chef kok maakte hem tot een waardevolle aanwinst. Dit kon van zijn rijkunsten niet gezegd worden.
Wie beter kon rijden was Ulf, een 40-jarige (dat zou je niet zeggen) die ooit als ambulancechauffeur had gewerkt. Nu werkt hij in een onderzeeër, als elektricien bij booreilanden.

Na gezamenlijk proviand te hebben ingeslagen waren we op weg, met de veerboot, naar het beloofde paradijs. Dat de blauwe lucht inmiddels was getransformeerd in een donkergrijze wolkenmassa, met de daarbij behorende temperatuurdaling, mocht op dat moment de pret nog niet drukken.

Op het eiland wonen enkele mensen in enkele piepkleine dorpjes. Slechts één stukje is geasfalteerd en dat ik waar de ferry aankomt. Daarna is het dus snel in 4 wheel drive en over het zand. Dit klinkt allemaal heel smooth, maar in werkelijkheid is het een rit waar een stuiterbal een puntje aan kan zuigen. Het is dan ook niet zeldzaam dat er een auto omvalt of op een andere manier gruwelijk crasht, met alle gevolgen van dien.
Na het eiland in breedte te hebben doorkruist (da’s slechts 15 km, de lengte is 120 km), kwamen we aan op het strand (‘de snelweg’), waar het harde zand (gedurende het juiste tij) het rijcomfort veraangenaamd, hoewel verborgen plotse hobbels en zeeriviertjes hier snel roet in het eten kunnen gooien.
Aangekomen aan het strand moesten we een tijdje wachten op eb, dus verlieten we het geschudde blik als ware we cola. Daar stonden we, uitkijkend over een woeste zee onder grauwe, dreigende lucht en bittere, bittere kou.
Toen de zee zich ver genoeg had teruggetrokken reden we langs de kust naar attracties als The Pinnacles (gekleurde rotsen), Eli Creek (een riviertje tussen een meer en de zee) en het Maheno scheepswrak, totdat het tijd was om het kamp op te zetten, aan het strand. Dit gebeurde nog net voordat de motregen zijn mot verloor voor de rest van de nacht.

De warme barbecue van de avond smaakte goed en na afloop werd er intensief gedronken in de hoop enige warmbloedigheid te behouden. Mijn uiterst modieuze outfit bestond op dat moment (en gedurende de rest van de safari) uit een witte lange broek die niet langer wit was, een t-shirt, bedekt met een long-sleeve, bedekt met een nieuwgekochte dikke trui en twee paar sokken in mijn teenslippers. Het was nog steeds koud. Dit werd er niet beter op toen ik ’s nachts wakker werd en tot mijn grote verontwaardiging opmerkte dat mijn uiterst dunne slaapmatje zekere ongecontroleerde waterbedeigenschappen etaleerde. Het zal niet verbazen dat de nacht in kwestie (later beschreven als de koudste in Queensland in 30 jaar tijd) er een was met weinig slaap.

De volgende dag was de regen gestopt, maar de wolken nog steeds ongenadig in de lucht. Zodra mijn trui met behulp van de ventilators in de auto weer droog was trok ik hem weer snel aan voor dag twee op Fraser Island.
We reden naar Indian Head; een prachtige lookout vanaf waar niet alleen een stuk van het eiland overzien kan worden, maar waar een blik op de woeste oceaan wordt bespikkeld met dolfijnen, haaien en manta rays (soms ook walvissen, maar daarvoor was het nog net te vroeg). Het uitzicht was prachtig en moet onvoorstelbaar zijn op een zonnige dag.
Vervolgens naar de Champagne pools; een natuurlijk zwembad in de rotsen die bij inkomend tij wordt gevuld met champagneachtige trekjes.

Het kamp werd ’s avonds opgezet in een officiële camping, alwaar wij de luxe hadden van een heus toilet, maar voornamelijk de beschutting van begroeiing tegen de koude wind. Normaal gesproken worden backpackers niet zondermeer toegelaten op deze familiecampings, maar omdat de Ranger had gezien hoe koud we het voorheen hadden gehad, liet ze ons bij uitzondering toe.
De pot schafte een meer dan uitstekende pasta. Nadien werd er als gebruikelijk gedronken. Eerst gezellig, als voorheen, maar later op de avond verslechterde de sfeer. Eén van de Engelse in mijn groep werd nogal agressiefachtig irritant dronken en een paar Ieren uit de omgeving niet veel anders. De meesten van ons gingen dan ook nog voor middernacht de tent in voor een droge, doch koude nacht.

De volgende morgen werden we vroeg gewekt door de Ranger, wiens glimlach op drastisch dieet was sinds de avond ervoor. Het was kennelijk nogal een puinhoop van lege bierblikjes en een vuilniszak, die allen in de auto hadden moeten liggen ter bescherming van het wildlife. De camping was dan wel afgeschermd van de Dingo’s, maar de kraaien zijn er bijna net zo groot en hadden ’s nachts volleybal gespeeld met de vuilniszak.
Al onze paspoortdetails werden overgenomen om aan een boete te koppelen van 275 dollar per persoon. Niet fijn wakker worden dus. Enige tijd later kwam de Ranger terug en reduceerde ze de totale som van 17 maal 275 naar 1 maal 275, als er iemand nobel genoeg was om de boete op zich te nemen en het bedrag van 16 dollar per persoon van iedereen terug te krijgen. Een periode van stompzinnig naar elkaar staren volgde. De hoofdverantwoordelijken beweerden geen geldige legitimatie bij zich te hebben, dus geen van hen kon de boete op zich nemen. Om te voorkomen dat iedereen de boete alsnog individueel zou krijgen heb ik me dan maar aangeboden, om vervolgens van iedereen de centen te innen. Tot mijn grote genoegen en verbazing heeft iedereen netjes betaald.

Het boete(k)leed achter ons gelaten gingen we vol goede moed weer op pad. Het was nog steeds bewolkt, maar hier en daar verscheen een blauwe vlek. ’s Nachts had ik zelfs een ster kunnen ontwaren; een schouwspel dat spontaan een vreugdedans instigeerde, hoewel de wijn hierin een katalyserende werking had die niet onderschat dient te worden.
We reden terug naar het Zuiden, om een bezoekje te brengen aan een tweetal meren. Het eerste was Lake Wabby, die na een mooie wandeling over een reusachtige zandmassa werd bereikt. Op dit moment kwam zelfs de zon even door, waardoor het anderzijds prachtige Lake Wabby plots onbeschrijflijk werd. Een diep groen, hevig reflecterend water waar je de grote cat fish in kunt zien zwemmen. Het regenwoud enerzijds en het zand anderzijds geeft een mooi contrast dat later vanuit een lookout Point nog beter te zien was.
Het tweede meer was Lake McKenzie, waarschijnlijk het bekendste meer op het eiland. Het water in dit meer is helder als drinkwater in het ondiepe stuk en diepblauw in het diepere deel. Helaas hadden de wolken de zon alweer verstoten, zodat het beeld slechts prachtig was. Ondanks de kou zwom menigeen toch in het warmere water.

Na de meren aten we ons laatste eten op, (tegen alle traditie in hadden we niet te veel eten gekocht, maar net iets te weinig tot net goed), alvorens snel terug te rijden om de boot niet te missen. Dat rijden is overigens erg leuk. Ik was één van de vijf chauffeurs in onze auto en half driftend door het diepe zand glijden is een aangename sensatie. Over het algemeen ging het erg goed, op die ene bult op Clive’s hoofd na dan (verborgen hobbeltje).

Na terugkomst konden we eindelijk uit de vieze kleren en onder de douche. Helaas voor mij bleek het warme water op te zijn. Precies wat je nodig hebt na drie koude, natte dagen; een koude, natte douche…
Toen we allemaal weer schoon waren gingen enkele van ons nog gezamenlijk een hapje eten, alvorens voor wat kwaliteitsnachtrust in bed te kruipen. Het was, ondanks alle tegenslag, toch een mooie ervaring. Helaas geen Dingos gezien, die bleven voor het slechte weer ook liever thuis…

Town of 1770/Agnes Water
Herenigd met Daniel (hij was dezelfde dagen op het eiland, maar via een ander hostel) kwam ik vervolgend aan in Town of 1770, ofwel Agnes Water. Dit zijn eigenlijk twee dorpjes, maar waar de grens ligt lijkt niemand precies te weten. Het is klein, erg klein. Officieel heeft Agnes Water zo’n 2000 inwoners en Town of 1770 slechts 80. Vanaf nu zal ik doen wat iedereen doet en de namen door elkaar gebruiken.
Het is een vriendelijk plaatsje zo’n beetje aan het begin van het Great Barrier Reef. Dit maakt het tot het laatste strand waar nog fatsoenlijk gesurft kan worden, een activiteit waar ik tegen alle planning in niet aan toe ben gekomen in dit dorp.

Town of 1770 kent drie hostels, waarvan ik in twee heb verbleven. Beide zijn magnifiek. De eerste twee nachten verbleven we in Southern Cross, een gloednieuw hostel met geinige hutjes waar de met slechts drie mensen in slaapt. Da’s dus een derde badkamer per persoon!
Voorzien van twee soorten pool, (zowel zwem als biljart), en een uitgebreide dvd collectie hoef je je niet te vervelen, ondanks de ongunstige ligging; een stuk buiten het dorp. De twee dagen aldaar waren dan ook van onthaasten en bijkomen van het Fraser avontuur.

Het grootste en bekendste hostel is Cool Bananas en omdat veel van onze bekenden daar logeerden, verhuisden we later naar daar. Hoewel dit hostel geen van beide poolmogelijkheden biedt, wordt dat goed gemaakt door een fantastische sfeer en professioneel bereide maaltijden voor 5 dollar, elke avond. Er zijn een heleboel gave activiteiten en ze zijn allemaal spotgoedkoop (relatief dan).

Dag één was er één die begon met van verhuizen en wassen. Vervolgens het lokale museumpje bezocht om sportief af te sluiten met frisbeeën op het strand. Deze laatste activiteit bezorgde Daniel en ik zowaar lichte spierpijn de dag erna, hetgeen wel iets zegt over de sportieve inspanningen gedurende het reizen (ik krijg echt niet zoveel lichaamsbeweging als sommige ondeugende commentaren insinueren). Het was dan wel Extreme Outdoor Power frisbeeën, maar spierpijn…
De dag werd afgesloten met het spelen van een geslaagd potje Kings met oude en nieuwe vrienden. Ik heb een aantal geweldige nieuwe regels, die ik na terugkomst zal introduceren.

Dag twee was er één van onafgebroken regen. Een uitzondering, daar de winters doorgaans droog zijn in een toch al zware droogte. De lokale bevolking danste dan ook naakt door de straten, terwijl de backpackers uit verveling reeds na de lunch begonnen met hun drinkspelletjes.
’s Avonds vertrok Daniel. Hij heeft wat minder tijd dan ik en slaat daarom een paar plaatsjes over die ik wel aandoe. We speelden nog een paar afsluitende potjes pool, haalden wat herinneringen op en zeiden met tegenzin vaarwel. Hij was een fijne reispartner en hij zal gemist worden…

Dag drie ben ik gaan motorrijden op een heuse Harley-achtige. Met een kleine veertig man in lijn een mooie tocht gemaakt door de heuvelachtige, bekangoeroede omgeving en de mooie kustlijn, afgesloten met een prachtige zonsondergang.
De motoren reden heel gemakkelijk, waren automatisch geschakeld (als dit al aan de orde was) en begrensd op 70 km/h. Een motorrijbewijs was dan ook niet nodig. Toch heel anders rijden dan mijn oude Puch of een scooter en daarmee een bijzonder leuke activiteit. De prijs: 39 dollar voor drie uur rijplezier, wat natuurlijk een koopje is.
Het viel me tijdens het motorrijden trouwens op dat ik inmiddels volledig gewend ben aan het links rijden. Dat wordt dus wel weer even wennen als ik in Oktober terug kom…
Na de motortocht werden we getrakteerd op een sfeervolle stroomstoring, die maar liefst tien uren zou aanhouden. Op zich geen probleem, daar ik vroeg het bed opzocht in een poging mijn aankomende verkoudheid te slim af te zijn. Dat bleek vergeefse moeite…

Dag vier (zojuist), hier komt ie dan: vliegen! Ik heb net een scenic stunt flight gehad. Een vlucht over de prachtige waterlanden hier, met een aantal g-krachtrijke roll-overs en snoekduiken. Ik begon voorin, als co-piloot en heb daadwerkelijk ook zelf een stukje gevlogen. Erg gaaf.
We maakten een landing op een afgelegen strand, slechts bereikbaar per vliegtuig of boot, waar een paar locals zandwormen aan het verzamelen waren om als aas te gebruiken op zee. Deze zandwormen zijn tot een aantal meter lang, verbazend genoeg. Verder wat krabbetjes verzameld en een oester gegeten die de piloot daar plukte.
Na de tweede take-off (ik zat nu achterin) nogmaals een blik op de prachtige ondiepe wateren, tegen een strakblauwe lucht. Een paar dolfijnen zien zwemmen, net voordat de piloot weer in stuntmodus ging. Weer twee roll-overs en een snoekduik. Geloof me, geen achtbaan kan tippen aan de snelheid en kracht die hierbij kwamen kijken. Met name in de snoekduik knalde alles wat niet vast zat tegen het dak.
Hoewel ik normaal gesproken geen problemen heb met snelle attracties, voelde het nu toch wel alsof de zojuist geconsumeerde oester op zoek was naar een nieuwe schelp. Gelukkig landden we korte tijd later, in het bezit van stapels foto’s en filmpjes van een fantastische vlucht. De prijs: 65 dollar voor 2 uur vliegen en strandlopen. Geen slechte deal dacht ik zo.

Tot zover mijn avonturen voor nu. Over twee uur vertrek ik weer, verder naar het Noorden. Rockhampton wordt mijn volgende bestemming, waar ik voor morgen in ieder geval een bush/outbacktocht heb geboekt.
Jullie horen nog van mij! Tot die tijd heb ik weer wat nieuwe foto’s op de website weten te krijgen. Nogmaals; klik rechtsonder in de fotopagina op ‘details’, zodat je de namen van de foto’s te zien krijgt. Pak je toch even mooi dat extra stukje informatie mee!