Archive for June, 2007

Reizen: Rainbow Beach tot en met Town of 1770

Saturday, June 30th, 2007

Hey daar, welkom terug!
Terwijl ik nog aan het bijkomen ben van een fantastische activiteit zojuist en een hevige verkoudheid, leek het me weer een goed moment om het woord tot mijn familie en vrienden thuis te richten. Immers, er is inmiddels al weer een heleboel gebeurd, de zojuist gedane activiteit niet de minste. Wat die activiteit was? Tja, daarvoor zul je eerst de rest van de onzin moeten lezen. Want hoewel mijn schrijven zelden logisch is, het is op zijn minst chronologisch.

Rainbow Beach
Ik heb 3 dagen in Rainbow Beach doorgebracht, hetgeen mij volleerd maakt wat betreft het bruisende central business district van dit dorp met amper 1000 inwoners. Er is weinig te beleven, om een understatement te gebruiken. Dat de plaats toch populair is bij backpackers is dan ook voornamelijk omdat veel van hen vanuit Rainbow Beach naar Fraser Island gaan. Voor anderen (zoals ik, die vanuit Hervey Bay naar het eiland gaat), is er het mooie strand en het uiterst gezellige hostel ‘Dingos’ waar ik verbleef.

Vlakbij het dorpje bevindt zich de Carlo Sandblow; een hoop zand groter dan wat half Duitsland jaarlijks op de Nederlandse stranden weg schept. Deze duin biedt een uiterst rustgevend uitzicht over de dorpjes Rainbow Beach en Tin Can Bay en het bekijken van de zonsondergang was op mijn eerste (en heldere) dag zeker geen straf.

In het hostel waren de drie hoofdactiviteiten eten, drinken en pool spelen. Voor een schamele 4 dollars kon er elke dag een prima maaltijd (aan)geschaft worden en de bar hanteerde schappelijke prijzen. Het is hier dat Daniel en ik een pool-fotosessie zijn begonnen om het zo belangrijke aspect van ons reizen voor nageslacht en andere geïnteresseerden vast te leggen. We bemerkten zowaar verbetering in ons spel; ongetwijfeld de druk van toekijkend vaderland.

Fraser Island
Fraser Island is het grootste zandeiland ter wereld, op de World Heritage List, zoals zoveel dingen in Australië. De Aborigines noemden het al ‘paradijs’ en vele bezoekers sindsdien konden het niet beter uitdrukken. Het eiland is qua oppervlakte ongeveer een tiende van Nederland en het bevat meer zand dan de Sahara. Het is echter veel meer dan alleen een grote ground zero van een door nijdige extremisten opgeblazen zandkasteel. In al dat zand groeien grote bossen regenwoud en zijn er zoetwatermeren met kristalhelder water. Visualiseer hierin wat heilige Aboriginalrotsen (die lui verklaren werkelijk elke steen heilig), een paar roestige scheepswrakken en een meute wildlife en je krijgt een beeld van Fraser Island.

In mijn hostel in Hervey Bay kwam ik om kwart voor 6 ’s ochtends hevig vermoeid mijn bed uitrollen, onder een strakblauwe lucht. De briefing voor de self-drive safari zou in een half uurtje beginnen en ik zou de mede-backpackers ontmoeten met wie ik de komende drie dagen in een 4×4 jeep over het eiland zou crossen.
Gedurende de briefing werden de 17 aanwezigen verdeeld over twee auto’s en kregen we uitgebreide instructies over het reduceren van de impact op het fragiele ecosysteem aldaar en wat te doen om niet door de abundante Dingos (wilde honden) partieel te worden geconsumeerd.
Na de briefing werden we in twee auto’s gegooid (mijn groep 9 groot, de andere 8), werd alle kampeermaterieel en bagage nagestuwd en werd het geheel overgoten met een aanzienlijke hoeveelheid alcoholhoudende drank, die ons op onze noeste survival experience warm zou moeten houden.

Mijn groep bestond uit Richard (Engels), James (Engels), Alex (Engels), Clive (Engels), Karl (Frans van Zweedse origine), Ulf (Noors), Elizabeth (Duits-Italiaans), Jasmin (Duits-Zwitsers) en ik. In de andere groep zaten een Iers koppel, een Schots koppel, een Duitse kerel, een Engelse kerel, een Nederlandse meid en een reserve-Ier.
Speciale vermeldingen hier verdienen:
Richard, een aardige Harry Potter look-alike met wie ik nog wat tijd zou doorbrengen in Town of 1770.
James, een bijzonder relaxte, stil-doch-grappige kerel die zijn verjaardag vierde op de derde dag.
Clive, een 34-jarige grijzende, hyperactieve sportinstructeur met twijfelachtige geaardheid die, zodra je door de dikke adhd-laag heen prikte, een uiterst aangename kerel bleek. Zijn verleden als chef kok maakte hem tot een waardevolle aanwinst. Dit kon van zijn rijkunsten niet gezegd worden.
Wie beter kon rijden was Ulf, een 40-jarige (dat zou je niet zeggen) die ooit als ambulancechauffeur had gewerkt. Nu werkt hij in een onderzeeër, als elektricien bij booreilanden.

Na gezamenlijk proviand te hebben ingeslagen waren we op weg, met de veerboot, naar het beloofde paradijs. Dat de blauwe lucht inmiddels was getransformeerd in een donkergrijze wolkenmassa, met de daarbij behorende temperatuurdaling, mocht op dat moment de pret nog niet drukken.

Op het eiland wonen enkele mensen in enkele piepkleine dorpjes. Slechts één stukje is geasfalteerd en dat ik waar de ferry aankomt. Daarna is het dus snel in 4 wheel drive en over het zand. Dit klinkt allemaal heel smooth, maar in werkelijkheid is het een rit waar een stuiterbal een puntje aan kan zuigen. Het is dan ook niet zeldzaam dat er een auto omvalt of op een andere manier gruwelijk crasht, met alle gevolgen van dien.
Na het eiland in breedte te hebben doorkruist (da’s slechts 15 km, de lengte is 120 km), kwamen we aan op het strand (‘de snelweg’), waar het harde zand (gedurende het juiste tij) het rijcomfort veraangenaamd, hoewel verborgen plotse hobbels en zeeriviertjes hier snel roet in het eten kunnen gooien.
Aangekomen aan het strand moesten we een tijdje wachten op eb, dus verlieten we het geschudde blik als ware we cola. Daar stonden we, uitkijkend over een woeste zee onder grauwe, dreigende lucht en bittere, bittere kou.
Toen de zee zich ver genoeg had teruggetrokken reden we langs de kust naar attracties als The Pinnacles (gekleurde rotsen), Eli Creek (een riviertje tussen een meer en de zee) en het Maheno scheepswrak, totdat het tijd was om het kamp op te zetten, aan het strand. Dit gebeurde nog net voordat de motregen zijn mot verloor voor de rest van de nacht.

De warme barbecue van de avond smaakte goed en na afloop werd er intensief gedronken in de hoop enige warmbloedigheid te behouden. Mijn uiterst modieuze outfit bestond op dat moment (en gedurende de rest van de safari) uit een witte lange broek die niet langer wit was, een t-shirt, bedekt met een long-sleeve, bedekt met een nieuwgekochte dikke trui en twee paar sokken in mijn teenslippers. Het was nog steeds koud. Dit werd er niet beter op toen ik ’s nachts wakker werd en tot mijn grote verontwaardiging opmerkte dat mijn uiterst dunne slaapmatje zekere ongecontroleerde waterbedeigenschappen etaleerde. Het zal niet verbazen dat de nacht in kwestie (later beschreven als de koudste in Queensland in 30 jaar tijd) er een was met weinig slaap.

De volgende dag was de regen gestopt, maar de wolken nog steeds ongenadig in de lucht. Zodra mijn trui met behulp van de ventilators in de auto weer droog was trok ik hem weer snel aan voor dag twee op Fraser Island.
We reden naar Indian Head; een prachtige lookout vanaf waar niet alleen een stuk van het eiland overzien kan worden, maar waar een blik op de woeste oceaan wordt bespikkeld met dolfijnen, haaien en manta rays (soms ook walvissen, maar daarvoor was het nog net te vroeg). Het uitzicht was prachtig en moet onvoorstelbaar zijn op een zonnige dag.
Vervolgens naar de Champagne pools; een natuurlijk zwembad in de rotsen die bij inkomend tij wordt gevuld met champagneachtige trekjes.

Het kamp werd ’s avonds opgezet in een officiële camping, alwaar wij de luxe hadden van een heus toilet, maar voornamelijk de beschutting van begroeiing tegen de koude wind. Normaal gesproken worden backpackers niet zondermeer toegelaten op deze familiecampings, maar omdat de Ranger had gezien hoe koud we het voorheen hadden gehad, liet ze ons bij uitzondering toe.
De pot schafte een meer dan uitstekende pasta. Nadien werd er als gebruikelijk gedronken. Eerst gezellig, als voorheen, maar later op de avond verslechterde de sfeer. Eén van de Engelse in mijn groep werd nogal agressiefachtig irritant dronken en een paar Ieren uit de omgeving niet veel anders. De meesten van ons gingen dan ook nog voor middernacht de tent in voor een droge, doch koude nacht.

De volgende morgen werden we vroeg gewekt door de Ranger, wiens glimlach op drastisch dieet was sinds de avond ervoor. Het was kennelijk nogal een puinhoop van lege bierblikjes en een vuilniszak, die allen in de auto hadden moeten liggen ter bescherming van het wildlife. De camping was dan wel afgeschermd van de Dingo’s, maar de kraaien zijn er bijna net zo groot en hadden ’s nachts volleybal gespeeld met de vuilniszak.
Al onze paspoortdetails werden overgenomen om aan een boete te koppelen van 275 dollar per persoon. Niet fijn wakker worden dus. Enige tijd later kwam de Ranger terug en reduceerde ze de totale som van 17 maal 275 naar 1 maal 275, als er iemand nobel genoeg was om de boete op zich te nemen en het bedrag van 16 dollar per persoon van iedereen terug te krijgen. Een periode van stompzinnig naar elkaar staren volgde. De hoofdverantwoordelijken beweerden geen geldige legitimatie bij zich te hebben, dus geen van hen kon de boete op zich nemen. Om te voorkomen dat iedereen de boete alsnog individueel zou krijgen heb ik me dan maar aangeboden, om vervolgens van iedereen de centen te innen. Tot mijn grote genoegen en verbazing heeft iedereen netjes betaald.

Het boete(k)leed achter ons gelaten gingen we vol goede moed weer op pad. Het was nog steeds bewolkt, maar hier en daar verscheen een blauwe vlek. ’s Nachts had ik zelfs een ster kunnen ontwaren; een schouwspel dat spontaan een vreugdedans instigeerde, hoewel de wijn hierin een katalyserende werking had die niet onderschat dient te worden.
We reden terug naar het Zuiden, om een bezoekje te brengen aan een tweetal meren. Het eerste was Lake Wabby, die na een mooie wandeling over een reusachtige zandmassa werd bereikt. Op dit moment kwam zelfs de zon even door, waardoor het anderzijds prachtige Lake Wabby plots onbeschrijflijk werd. Een diep groen, hevig reflecterend water waar je de grote cat fish in kunt zien zwemmen. Het regenwoud enerzijds en het zand anderzijds geeft een mooi contrast dat later vanuit een lookout Point nog beter te zien was.
Het tweede meer was Lake McKenzie, waarschijnlijk het bekendste meer op het eiland. Het water in dit meer is helder als drinkwater in het ondiepe stuk en diepblauw in het diepere deel. Helaas hadden de wolken de zon alweer verstoten, zodat het beeld slechts prachtig was. Ondanks de kou zwom menigeen toch in het warmere water.

Na de meren aten we ons laatste eten op, (tegen alle traditie in hadden we niet te veel eten gekocht, maar net iets te weinig tot net goed), alvorens snel terug te rijden om de boot niet te missen. Dat rijden is overigens erg leuk. Ik was één van de vijf chauffeurs in onze auto en half driftend door het diepe zand glijden is een aangename sensatie. Over het algemeen ging het erg goed, op die ene bult op Clive’s hoofd na dan (verborgen hobbeltje).

Na terugkomst konden we eindelijk uit de vieze kleren en onder de douche. Helaas voor mij bleek het warme water op te zijn. Precies wat je nodig hebt na drie koude, natte dagen; een koude, natte douche…
Toen we allemaal weer schoon waren gingen enkele van ons nog gezamenlijk een hapje eten, alvorens voor wat kwaliteitsnachtrust in bed te kruipen. Het was, ondanks alle tegenslag, toch een mooie ervaring. Helaas geen Dingos gezien, die bleven voor het slechte weer ook liever thuis…

Town of 1770/Agnes Water
Herenigd met Daniel (hij was dezelfde dagen op het eiland, maar via een ander hostel) kwam ik vervolgend aan in Town of 1770, ofwel Agnes Water. Dit zijn eigenlijk twee dorpjes, maar waar de grens ligt lijkt niemand precies te weten. Het is klein, erg klein. Officieel heeft Agnes Water zo’n 2000 inwoners en Town of 1770 slechts 80. Vanaf nu zal ik doen wat iedereen doet en de namen door elkaar gebruiken.
Het is een vriendelijk plaatsje zo’n beetje aan het begin van het Great Barrier Reef. Dit maakt het tot het laatste strand waar nog fatsoenlijk gesurft kan worden, een activiteit waar ik tegen alle planning in niet aan toe ben gekomen in dit dorp.

Town of 1770 kent drie hostels, waarvan ik in twee heb verbleven. Beide zijn magnifiek. De eerste twee nachten verbleven we in Southern Cross, een gloednieuw hostel met geinige hutjes waar de met slechts drie mensen in slaapt. Da’s dus een derde badkamer per persoon!
Voorzien van twee soorten pool, (zowel zwem als biljart), en een uitgebreide dvd collectie hoef je je niet te vervelen, ondanks de ongunstige ligging; een stuk buiten het dorp. De twee dagen aldaar waren dan ook van onthaasten en bijkomen van het Fraser avontuur.

Het grootste en bekendste hostel is Cool Bananas en omdat veel van onze bekenden daar logeerden, verhuisden we later naar daar. Hoewel dit hostel geen van beide poolmogelijkheden biedt, wordt dat goed gemaakt door een fantastische sfeer en professioneel bereide maaltijden voor 5 dollar, elke avond. Er zijn een heleboel gave activiteiten en ze zijn allemaal spotgoedkoop (relatief dan).

Dag één was er één die begon met van verhuizen en wassen. Vervolgens het lokale museumpje bezocht om sportief af te sluiten met frisbeeën op het strand. Deze laatste activiteit bezorgde Daniel en ik zowaar lichte spierpijn de dag erna, hetgeen wel iets zegt over de sportieve inspanningen gedurende het reizen (ik krijg echt niet zoveel lichaamsbeweging als sommige ondeugende commentaren insinueren). Het was dan wel Extreme Outdoor Power frisbeeën, maar spierpijn…
De dag werd afgesloten met het spelen van een geslaagd potje Kings met oude en nieuwe vrienden. Ik heb een aantal geweldige nieuwe regels, die ik na terugkomst zal introduceren.

Dag twee was er één van onafgebroken regen. Een uitzondering, daar de winters doorgaans droog zijn in een toch al zware droogte. De lokale bevolking danste dan ook naakt door de straten, terwijl de backpackers uit verveling reeds na de lunch begonnen met hun drinkspelletjes.
’s Avonds vertrok Daniel. Hij heeft wat minder tijd dan ik en slaat daarom een paar plaatsjes over die ik wel aandoe. We speelden nog een paar afsluitende potjes pool, haalden wat herinneringen op en zeiden met tegenzin vaarwel. Hij was een fijne reispartner en hij zal gemist worden…

Dag drie ben ik gaan motorrijden op een heuse Harley-achtige. Met een kleine veertig man in lijn een mooie tocht gemaakt door de heuvelachtige, bekangoeroede omgeving en de mooie kustlijn, afgesloten met een prachtige zonsondergang.
De motoren reden heel gemakkelijk, waren automatisch geschakeld (als dit al aan de orde was) en begrensd op 70 km/h. Een motorrijbewijs was dan ook niet nodig. Toch heel anders rijden dan mijn oude Puch of een scooter en daarmee een bijzonder leuke activiteit. De prijs: 39 dollar voor drie uur rijplezier, wat natuurlijk een koopje is.
Het viel me tijdens het motorrijden trouwens op dat ik inmiddels volledig gewend ben aan het links rijden. Dat wordt dus wel weer even wennen als ik in Oktober terug kom…
Na de motortocht werden we getrakteerd op een sfeervolle stroomstoring, die maar liefst tien uren zou aanhouden. Op zich geen probleem, daar ik vroeg het bed opzocht in een poging mijn aankomende verkoudheid te slim af te zijn. Dat bleek vergeefse moeite…

Dag vier (zojuist), hier komt ie dan: vliegen! Ik heb net een scenic stunt flight gehad. Een vlucht over de prachtige waterlanden hier, met een aantal g-krachtrijke roll-overs en snoekduiken. Ik begon voorin, als co-piloot en heb daadwerkelijk ook zelf een stukje gevlogen. Erg gaaf.
We maakten een landing op een afgelegen strand, slechts bereikbaar per vliegtuig of boot, waar een paar locals zandwormen aan het verzamelen waren om als aas te gebruiken op zee. Deze zandwormen zijn tot een aantal meter lang, verbazend genoeg. Verder wat krabbetjes verzameld en een oester gegeten die de piloot daar plukte.
Na de tweede take-off (ik zat nu achterin) nogmaals een blik op de prachtige ondiepe wateren, tegen een strakblauwe lucht. Een paar dolfijnen zien zwemmen, net voordat de piloot weer in stuntmodus ging. Weer twee roll-overs en een snoekduik. Geloof me, geen achtbaan kan tippen aan de snelheid en kracht die hierbij kwamen kijken. Met name in de snoekduik knalde alles wat niet vast zat tegen het dak.
Hoewel ik normaal gesproken geen problemen heb met snelle attracties, voelde het nu toch wel alsof de zojuist geconsumeerde oester op zoek was naar een nieuwe schelp. Gelukkig landden we korte tijd later, in het bezit van stapels foto’s en filmpjes van een fantastische vlucht. De prijs: 65 dollar voor 2 uur vliegen en strandlopen. Geen slechte deal dacht ik zo.

Tot zover mijn avonturen voor nu. Over twee uur vertrek ik weer, verder naar het Noorden. Rockhampton wordt mijn volgende bestemming, waar ik voor morgen in ieder geval een bush/outbacktocht heb geboekt.
Jullie horen nog van mij! Tot die tijd heb ik weer wat nieuwe foto’s op de website weten te krijgen. Nogmaals; klik rechtsonder in de fotopagina op ‘details’, zodat je de namen van de foto’s te zien krijgt. Pak je toch even mooi dat extra stukje informatie mee!

Reizen: Sydney tot en met Noosa Heads

Tuesday, June 19th, 2007

Geachte medemens,

Ik schrijf tot u, na een lange periode van stilte, vanuit het uiterst aangename Rainbow Beach. Een idyllisch klein kustplaatsje vol maagdelijke stranden en reusachtige zandduinen. Het wordt nu toch echt eens tijd om te schrijven over mijn belevenissen van de afgelopen maand, voordat ik ze vergeet. Dus bij deze genoeg over Rainbow Beach, waar ik nog maar net ben aangekomen en waarover ik technisch gezien dus nog geen recht van spreken heb. In plaats daarvan, een reisverslag, overzichtelijk ingedeeld op topografische basis en uiteraard alles kort en bondig, zoals jullie dat van me gewend zijn…

Sydney
Mijn tocht begon met een treinreisje naar Sydney, de meer dan prachtige stad waar ik eerder al over heb geschreven. Beschrijven hoe prachtig Circular Quay met het Opera House en Harbour Bridge is en hoe fantastisch vermakelijk Darling Harbour met het Aquarium, Maritime Museum, IMAX Theatre en talloze cafeetjes, zou dus zuivert redundant zijn. Laat mij dan toch nog de geneugten vermelden van het eten van een Hollands kroketje uit de oranje Utrecht-owned frituur en het plezierige bezoekje aan Taronga Zoo met Kim, een Sydneyse die ik op een feestje in Newcastle had ontmoet.
Tevens kan ik vermelden dat ik met plezier de kustwandeling van het beroemde Bondi Beach naar Coogee heb gemaakt. Een tocht met meer dan prachtig uitzicht.

Ik heb zo’n zes dagen doorgebracht in Sydney, iets langer dan gepland. Dit komt niet alleen door mijn passionele liefde voor de imposante wolkenkrabbers, noch voor de seksuele spanning van de abundante Koreanen, maar door de Rabobank. De Rabobank is namelijk zo vriendelijk geweest mijn creditcard te blokkeren. IJverig als ze zijn hadden ze glimmende, gloednieuwe pasjes naar mijn penthouse in Eindhoven vergestuurd. Dat ze de kaarten na twee weken postkantoorvertraging weer retour kregen, bleek helaas geen reden om de huidige pas niet te blokkeren. Op enige vermelding kon ik ook niet rekenen. Wel was ik in de voorgaande maand tot twee keer toe wakker gebeld omdat bezorgde Rabobankmedewerkers dachten dat ik wellicht geen student meer was en dat ik daardoor wel eens kortingen zou kunnen krijgen die niet meer voor mij bestemd zouden zijn. Een telefoontje om te vermelden dat je niet meer bij je geld kunt, bleek niet belangrijk genoeg.
Ik kwam er dus achter toen ik na vele uren consult met mijn leuke Frans-Canadese reisagente Véronique een riante hoeveelheid dollars moest neertellen, voor het door mij samengestelde pretpakket. Op dit verzoek gaf mijn creditcard niet thuis. Er zat dus weinig anders op dan het verschuldigde bedrag in termijnen te betalen, naar gelang de dagelijkse limiet van mijn lokale pinpas dat toeliet.
Dezelfde dag nog kreeg ik een telefoontje van immigratie, of ik zo vriendelijke wilde zijn mijn nieuwe visumaanvraag ook financieel te ondersteunen. Altijd prettig als je gedurende het toch al zo trage en fragiele visumproces te boek staat als armzalige sloeber.
Afijn, na de nodige telefoontjes en strenge, doch rechtvaardige e-mails, zijn de passen nu hopelijk per koerier op weg naar Hervey Bay, waar ik ze over een paar dagen kan ophalen. Eerst zien, dan geloven natuurlijk.

Blue Mountains
Na de administratieve rompslomp grotendeels afgehandeld te hebben, kon ik dan toch op de trein stappen richting Katoomba, een lieflijk plaatsje in de Blue Mountains. De Mountains zijn net zo blue als de blue gum tree blue is (niet dus), maar dat mag de pret niet drukken. Het is een onwaarschijnlijk prachtige omgeving met een gemiddeld uitzicht dat vele malen briljanter is dan elke Franse Alp.
Ik heb er een frisse wandeling ondernomen van 8 uur ’s ochtends tot 6 uur ’s avonds, het laatste stukje bergopwaarts rennend om de zonsondergang niet te missen. Men kan zich de reactie van mijn kuiten dan ook wel voorstellen toen ik de volgende ochtend bij de eerste zonnegloren ontwaakte.

In het hostel kwam ik een oudere man tegen in een oranje Sydney Olympische Spelen trui met een Nederlands vlaggetje in het midden. Het bleek een Australiër, die een Nederlandse ex-vrouw had. Geinige kerel, leuke gesprekken over Nederland, waar hij meer dan eens was geweest. Zijn overgeaccentueerde zinnetjes Nederlands waren ook bijzonder vermakelijk. Toen ik hem later dan ook nog Bavaria zag drinken, voelde ik me helemaal thuis. Snel naar de Bottle shop gerend voor een stapeltje Hollands beste, die daar spotgoedkoop waren omdat niemand het goedje kennelijk wil drinken. Des te beter…

Port Macquarie
De eerste plek van mijn tocht richting Noorden langs de Oostkust was (buiten nog een nachtje feesten met de vrienden in Newcastle) Port Macquarie. Een schattig klein plaatsje waar god schijnt te wonen. God heb ik er niet gezien, maar wel een kudde pelikanen, een stel speelse dolfijnen en 20000 hele grote vleermuizen. Door het bos lopen waar die gevleugelde ratten allemaal ondersteboven hangen te krijsen is al imposant, eronder staan als ze alle 20000 ’s avonds uitvliegen (niemand lijkt te weten waar naartoe) is ronduit indrukwekkend.
Het dorpje zelf kent een Break Wall, een soort van dijk, waar iedereen iets leuks op mag schilderen. De Lonely Planet, (de reizigersbijbel) beschrijft ondeugende toespelingen op de daad der daden. Helaas heb ik die niet mogen ontwaren. Wel allerlei andere spreuken in een breed scala van jostigehaltes.

Eén van de attracties is het Koala ziekenhuis, alwaar ik een gratis rondleiding genoot. Het was interessant, maar bovenal eng. De 200 vrijwilligers daar nemen hun werk namelijk uiterst serieus. Het is een volledig uitgerust ziekenhuis, waar de meest vreemde en absurde operaties op koala’s zijn uitgevoerd. Het varieert van het zetten van een simpele botbreuk als gevolg van een aanrijding, tot couveusebaby’s en gezichtsreconstructies.
Eén tamelijk misselijkmakend verhaal beschreef een koala die ternauwernood een bosbrand had overleefd. Meer dan 90 procent van het lichaamsoppervlak was 3e graad verbrand. Klauwen, oren en ogen waren weggebrand. Een stelletje huilies van het ziekenhuis heeft toen de onmenselijke en ondierlijke beslissing genomen het beestje te redden in plaats van te laten inslapen. Nu loopt er dus een blinde, dove, waarschijnlijk reukloze koala rond, die niet meer kan klimmen. Zeer nobel…
Afgezien van het waardeloze euthanasiebeleid doen ze natuurlijk wel goed werk, waaronder onderzoek naar chlamydia, een ziekte die koala’s op dezelfde manier beleven als mensen.

Het hostel waar ik verbleef was klein en gezellig, met een hoog hangmatgehalte. Erg druk was het over het algemeen niet. De eerste avond bevond ik mij plots in Nederland, met een Nederlands koppel dat in het hostel werkte en twee Groningse Janneke’s. De volgende dag was het gezelschap wat internationaler met een Duits meisje Wiebke, een stel Engelse meiden Lisa en Rachel en twee Canadese meiden Lauren en Raphaela. Al deze mensen en meer zou ik nog meerdere malen tegenkomen in de tocht Noordwaarts. De wereld aan de Oostkust van Australië is werkelijk klein en naast nieuwe mensen blijf je ook dezelfde gezichten tegenkomen.
Tenslotte werd in Port Macquarie een trend gezet in het drinkspelletje Kings. (Of Kingzen, voor de Brabanders)

Coffs Harbour
Het volgende plaatsje was Coffs Harbour, trotse eigenaar van de Big Banana. Samen met de Canadese en Engelse meiden kwam ik aan in een wederom gezellig hostel, waar het personeel goed haar best doet verveling te voorkomen. Dit manifesteerde zich voornamelijk in een dodelijk spelletje Kings in de eerste nacht, waar alles gebeurde wat de cursus verantwoord alcoholgebruik verbiedt.

De volgende dag, voor het eerst in 3 maanden op een fiets gestapt, (met een significante kater), om Coffs Harbour te verkennen. Allereerst naar de Big Banana gefietst. De Big Banana was het eerste absurd grote object. Het is simpelweg een grote, betonnen banaan. Als je dit al vreemd vindt, er is meer; er is een heus park omheen gebouwd, met allerlei banaangerelateerde zaken. Het is mogelijk allerhande banaangerechten te verorberen en er is zelfs een hypermoderne special effects bioscoop met films over, jawel… bananen. Uiteraard is er geen reet aan dit hele gebeuren, maar het is zo’n ding dat je gewoon gezien moet hebben. Dit is waarschijnlijk de reden voor alle andere grote dingen die in Australië te vinden zijn. Variërend van een ananas tot een kreeft en een garnaal die ik de volgende dag zou zien.

De volgende bestemming was de Clog Barn. Een klein madurodam met typisch Nederlandse gebouwen, voorafgegaan door een souvenirshop waar je alles kunt krijgen wat je in een doorsnee Amsterdamse souvenirshop vindt (afgezien van de drugsgerelateerde zaken). Het was een geinig parkje en als Nederlander kreeg ik nog een dollar korting ook.
Naast het miniatuurdorpje is ‘Big Oma’s Coffee House’, alwaar ik de beste kroket allertijden heb gegeten, met liefde handgevuld door Oma herself. Ook Opa nog even gesproken, maar die was na 35 jaar niet meer in staat fatsoenlijk Nederlands te spreken, dus dan maar in het Engels.

’s Avonds maakte een nieuwe kamergenoot zijn entree. Het was Daniel, uit Venezuela. Een bijzonder relaxte, ongeschoren gast met lang haar die een stuk ouder lijkt dan zijn 19 jaar. Met zijn privé-scholing in Engels heeft hij een perfecte Amerikaanse uitspraak en woordenschat. Een prima kerel, waar ik nu nog steeds samen mee reis. Er zijn slechts twee nadelen. Het eerste is dat hij erg langzaam loopt, wat bijna resulteerde in een gemiste bus in Brisbane. Het tweede is dat hij snurkt als een walrus met watervrees. Dit wordt dan weer gecompenseerd door zijn grote liefde voor pool biljart, een spel dat we ontzettend vaak spelen en waar we beiden bijzonder weinig chocola van hebben gegeten.

De volgende dag een waanzinnig saaie kanotocht gemaakt op het lokale beekje, alvorens de bus te pakken naar de volgende bestemming.

Byron Bay
Byron Bay, het beloofde land. Een plaatsje in het uiterste Noorden van New South Wales waar de klokken massaal zijn stilgezet in de jaren zestig. Een alternatief klein plekje, waar de lokale bevolking (sterk in de minderheid ten opzichte van de toeristen) opvalt door middel van bevlekte, doch kleurrijke kledij, een zoetige lucht en een uiterst stupide, doch volledig plantaardige uitdrukking op het gelaat. Het is een plaatsje waar MacDonalds en andere schurkachtige dierdenigrerende multinationals nog steeds geen voet aan de grond hebben weten te krijgen. Maar bovenal is het een schitterend plaatsje met prachtige stranden en een bijzonder relaxte sfeer.

Ik heb een week in dit geinige dorpje doorgebracht. Dit was wat langer dan voorzien, maar ik verbleef dan ook in The Arts Factory; een grote, bijzonder alternatieve camping/hostel combinatie voorzien van allerlei vermaak en gekkigheid. Men slaapt er niet alleen in de gebruikelijke hostelkamers, maar ook in tipi’s en afgedankte, omgebouwde lijnbussen. Er is een zwembad met bijzonder aangename warmwateroptie, er zijn pooltafels, er is een restaurant, een bar, een sauna en zelfs een heuse bioscoop, compleet met grote glitterbol en de meest comfortabele zetels allertijden. Er zijn gratis workshops in wazige dingen, en er zijn allerlei avondactiviteiten. Bovenal zijn er een heleboel leuke en interessante mensen.
Er is zoveel goeds aan de Arts Factory, dat je de slechte dingen maar al te graag voor lief neemt. Eén van de slechte dingen was het feit dat je potten en pannen bij de receptie moest ruilen voor geld alvorens te koken. Dit heikele punt is echter makkelijk opgelost door deze complexe stap op te slaan en direct voedsel voor geld te ruilen.
Een ander punt was de bijzonder laakbaarheid van de douches. Met een sproeikop, herstel sputterkop, op tepelhoogte was het wassen van de haren met recht een lichamelijke uitdaging te noemen. Neem daarbij in overweging dat ik in een doorsnee urineringsessie, een grotere hoeveelheid vloeistof in kortere tijd en met grotere nauwkeurigheid de wereld in kan helpen, als de hele rij douches gecombineerd. Dit geeft een beeld van de obstakels die overwonnen dienen te worden, teneinde een zeker peil van persoonlijke hygiëne te waarborgen. Misschien is het daarom dat hippies altijd zo stinken…

Wiet is aan de orde van de dag in The Arts Factory. Het is behoorlijk verboden in Australië, maar op het Arts Factory terrein wordt het gedoogd, al doen de bordjes anders vermoeden. Een belangrijke reden hiervoor is het nabijgelegen legendarische dorpje Nimbin. Nimbin is net als Amsterdam, waarbij je alle residentiële, commerciële en prostituele panden wegdenkt. Andere mensen beschrijven het als een kleurrijke straat waar je werkelijk overal wiet en geinige koekjes kunt kopen. Daarnaast is er ook een heel groovy museum waarvoor je bijzonder stoned moet zijn om het ten volle te kunnen waarderen.
Al met al een populaire bestemming voor een dagtrip (zowel letterlijk als figuurlijk), al is het alleen maar voor de mafketels die er daadwerkelijk wonen.

Eén van de avondactiviteiten was een talentshow, waarin een aantal backpackers de gitaar greep om veelal een geweldig optreden te verzorgen. Een andere activiteit was de quizavond, die ondergetekende samen met het Duitse meisje; Wiebke en twee Engelse meisjes; Nikki en Ria, heeft gewonnen. Hierin moet vermeld worden dat dit voornamelijk ten verdienste van Nikki was, die de meest zinloze kennis wist op te lepelen als ware het custard. De prijs was er echter niet minder om; 26 dollar en een gratis surfles.

Surfen was één van mijn hoofdactiviteiten in Byron Bay, buiten goon (wijn uit een doos) drinken en pool spelen. Ik had van te voren twee lessen geboekt die beide bijzonder goed gingen. Bij de eerste golf kon ik al staan en aan het einde van les twee begon ik langzaam te sturen.
Bij mijn gratis les, bij een ander bedrijf, kwam ik er echter achter dat men het me verkeerd had geleerd (switchfoot), waadoor ik weer opnieuw moest beginnen. De les was echter ontzettend veel beter dan mijn eerdere twee en ik had de smaak alweer snel te pakken. Ik ben dan ook zeker van plan zo af en toe eens een surfbord te huren, in mijn tocht richting het Noorden.
Denk nu overigens niet dat ik nu cool ben en dat ik met souplesse en heldenmoed metershoge golven bedwing. Het is nog steeds laf aankloten op een kleine, vaak al gebroken, golf die me rechtstreeks naar het strand brengt. Maar het begin is daar.
Een leuk detail aan de laatste surfles waren de dolfijnen die een kijkje kwamen nemen. De meeste bleven op afstand, maar één kwam recht op me af. Eerst zag ik de vin met significante snelheid naderen, de Jaws-soundtrack bonzend in mijn hoofd als een ritmische kater. Daarna zag ik door het heldere water gelukkig al snel dat het een dolfijn betrof, waardoor mijn hartslag weer langzaam afnam.

Eén van de meest kleurrijke figuren die in The Arts Factory rondliep was Az. Az is een 32-jarige Australiër die na een aantal jaren afwezigheid weer was teruggekeerd naar Byron. In die jaren afwezigheid was Az zowel een wonderkind in wiskunde, waardoor hij ongelimiteerd budget kreeg om tijdreizen en teleportatie te onderzoeken, was hij een grote jongen in de oliebusiness en in de filmindustrie en weet hij erg veel van technologie. Wat voor wiskunde, films of technologie precies de eer van zijn aandacht verdienden bleek helaas telkens reden voor verandering van onderwerp.
Dat andere onderwerp was meestal energie. Az ziet namelijk energiestromen tussen mensen en dingen en wie weet wat nog meer. Az ziet vrouwen met zijn linkeroog en mannen met zijn rechteroog. Hij heeft kristallen om de energiestromen te manipuleren en modificeren en roept om de zoveel tijd ‘schwing’. Tussendoor de lettergrepen van zijn kleurrijke verhalen neemt hij de nodige alcohol en marihuana tot zich, om vooral in zijn eigen speciale wereldje te blijven.
Al met al een vriendelijke, rustige, zij het soms wat vermoeiende kerel die geen betere plek voor zijn bestaan had kunnen uitzoeken dan Byron Bay. Net voor mijn vertrek is deze goedaardige sukkel toch het hostel uitgeknikkerd, vanwege nachtelijke misdragingen. Daar kon de arme man echter niets aan doen. Er had namelijk een snoodaard ’s nachts met zijn energie lopen knoeien, terwijl Az lekker lag te dutten. Geheel terecht kwam de (slaap)dronken Az verhaal halen, bij niemand in het bijzonder, met luide stem en gebalde vuist. Ik probeerde de boel nog te sussen door hem te vertellen dat de energieverontreiniging waarschijnlijk een onschuldig ongelukje was van iemand. Immers, aurabevlekking heerste enorm die week. Daarnaast viel mij op dat hij zijn biostabiel verkeerd om droeg, wat natuurlijk vragen is om problemen. Niets mocht echter baten en Az werd de volgende dag gevraagd het perceel te verlaten. Wederom een onschuldig slachtoffer van de zenloze multinationals…

Surfers Paradise
In reusachtig contrast tot het alternatieve, relaxte Byron Bay, is de volledig overbebouwde Gold Coast in Zuid-Queensland, met als meest toeristische het wolkenkrabberstadje Surfers Paradise. Alles hier draait om twee dingen; strand (waar je na drie uur ’s middags in de schaduw van de flats ligt) en uitgaan. Het is dan ook niet verrassend dat het straatbeeld wordt gedomineerd door straalbezopen, asociale volgevreten Britten die maar wat graag een robbertje vechten. Daarnaast vind je hier alle dure designerkleding, zonnebrillen en juwelen die je hartje je lief is en concurreert het ene skydivebedrijf, het andere de grond in. Al met al, best een geinig plaatsje voor een paar dagen, met stapels mooie vrouwen om te compenseren voor die lelijke Engelse zatlappen.

In de avonden een tweetal keren goed uitgegaan in een verscheidenheid aan clubs waar het aantal vreemde taferelen samen met het algemene dronkenschap hand over hand toenam. Aan het eind van elke avond brachten Daniel en ik een bezoekje aan de Subway, voor de nieuwe Hickory BBQ Pork Riblet Sub. Een zuiver Amerikaanse Sub die de cowboy in je naar boven brengt. De reclame voor het broodje is in een hilarisch Texaans accent, afgesloten met een veelzeggende ‘Jeeyhaa’! Een nieuw stopwoordje, dat samen met het ‘schwing’ van Az mening stil moment het zwijgen oplegt, of de concentratie verstoort in een potje pool.

De laatste dag in Surfers Paradise stond in het teken van watersport. Eerst een half uurtje op de Jetski, met 90 kilometer per uur over het water, al manoeuvrerend om de persoon achterop water te laten happen. Met succes. Een onwaarschijnlijk vermakelijke activiteit.
Vervolgens met een parachute achter een speedboot om vanaf hoogte de pracht van de baai te aanschouwen, met de imposante skyline in de achtergrond. Ook parasailen is iets wat ik graag mag doen, zo bleek al gauw.

Brisbane
Brisbane is met anderhalf miljoen inwoners de hoofdstad van Queensland. De stad wordt verdeeld in een Noordelijk en Zuidelijk deel door de Brisbane River. Het is een uiterst aangename stad, op nummer 1 van de Australische steden waar ik best zou willen wonen, gevolgd door Melbourne en Sydney. Er zijn tal van mooie, ‘oude’ gebouwen (echt oud natuurlijk niet, want het land bestaat nog maar net in zijn huidige vorm) en een hele stapel mooie parken en openbare plaatsen. Zo is er het kunstmatige strand (Brisbane ligt namelijk niet direct aan de kust), inclusief strandwacht, de botanische tuinen en een soort klein stadion waar op een groot scherm gratis sportevenementen en films worden getoond. Er hangt een fijne sfeer die doet vermoeden dat je in een groot dorp rondloopt, in plaats van een grote stad.

Het hostel was minder prettig, om het zacht uit te drukken. We sliepen in een kamer die stonk alsof er zojuist iemand in hoekje eten had zitten recyclen. Van de acht bedden waren er 4 gevuld met ongedouchte Koreanen die de hele dag stripverhalen zaten te lezen op hun notebook. Bij elke vlucht uit het stinkende slaaphol, bleef de deurklink achter in je hand. Een euvel dat volgens de manager de volgende dag verholpen zou worden en dat al een week lang.
In de badkamer werkte er van de drie kranen maar één, de keuken had geen borden en bestek, die konden tegen borg bij de receptie opgehaald worden. Kortom; het hele gebeuren stond op instorten. Het enige lichtpuntje is dat het op instorten stond op een bijzonder gunstige locatie centraal in het centrum.

Eén van de dagen zijn we naar het Lone Pine Koala Sanctuary gegaan. ‘Wij’ zijn in dit geval Ria, Daniel en ik. Het ‘Lone Pine Koala Sanctuary’ is in dit geval een bijzonder gaaf park stampvol met voornamelijk Australische dieren. Hier is het dat ik op de foto ben gegaan met een koala, die zeer attent een brok verwerkt voedsel op mijn hand achterliet en waar ik tientallen kangoeroes heb gevoerd. Daarnaast ook nog wat andere diertjes bekeken, zoals de Cassowary, een lelijk en gevaarlijke vogel uit Noord-Queensland. Geconcludeerd kan worden dat kangoeroes ontzettend gaaf zijn!

Noosa Heads
De volgende bestemming was een plaatsje in de Sunshine Coast; Noosa Heads. Een populaire vakantiebestemming voor zowel buitenlanders als Australiërs. Het heeft uiteraard prachtige stranden en een mooi klein nationaal park waar ik mijn eerste koala in het wild heb gezien.

Het hostel was geweldig, een verademing na de overnachtingsverschrikkingen in Brisbane. Het was een soort bungalowpark/camping combinatie waarin je met 8 personen een keuken, een huiskamer en twee badkamers deelde. Het beste van allemaal was dat de plek bezaaid was met kangoeroes! Zo zat je ’s avonds je zelfgemaakt pizza te eten en keek je recht in de bedelende ogen van een schattige kangoeroe. De kangoeroe was uiteraard succesvol.
Het enige nadeel aan het hostel was, ironisch genoeg ten opzichte van het hostel in Brisbane, de locatie. Het bevond zich 20 minuten met de bus ten Noorden van Noosa Heads en je moest met een pontje over, dat zeer beperkt beschikbaar was. Het was een klein offer dat graag werd gedaan.

Tot zover, voor nu. Inmiddels zit mijn tijd in Rainbow Beach er alweer bijna op (dit stuk is in meerdere sessies geschreven) en morgen vertrek ik naar Hervey Bay om van daaruit naar het prachtige Fraser Island te gaan. Maar daarover later meer.
Om jullie toch een beetje een goed gevoel te geven over het relatief immens saaie Nederland; het is bij jullie (voorlopig) een stuk warmer dan hier. Laat dat een troost zijn, maar geen reden om niet als de sodemieter een vakantie naar Australië te boeken!