Archive for August, 2007

Reizen: Rockhampton tot en met Cairns en weer terug

Thursday, August 2nd, 2007

Fijne figuren,

Wees gerust, het is ten einde. Na tien weken intensief reisgedrag langs de oh zo mooie en toeristische Oostkust van Australië ben ik weer semi-thuis in het vertrouwde Newcastle, herenigd met twee van mijn vrienden die hier nog zijn, zij het voor slechts een paar dagen, waarna hun reisavonturen van start gaan.
Hoewel het hier in het Zuiden merkbaar kouder is, is het met het zonnetje overdag nog prima vertoeven. De stormschade is zo goed als allemaal opgeruimd, hoewel een busritje door mijn oude straat een aantal cafés en winkels toonde die kennelijk niet over de financiële middelen beschikten om het water en puin te verwijderen en de draad weer op te pakken.
Morgen hervat ik mijn stage. Een verfrissend contrast met de laatste tien weken waarin het meest intellectueel uitdagende een bijzonder eenvoudig examen duiktheorie was. Op de universiteit maakt men het papierwerk in orde voor mijn belachelijk riante salaris en het dure stukje hightech speelgoed ligt reeds op me te wachten. Wat dat betreft alles snor, koek en ei dus, nu nog hopen dat ik ergens een kamer vind, hoewel mijn hostel een meer dan aangename verblijfplaats is, zolang het duurt.
In deze lange woordensessie, in etappes geschreven, vinden jullie dus alle belangrijke en minder belangrijke dingen die ik jullie niet wil onthouden, over het laatste deel van mijn reis. Voor het kijkplezier is zijn er luttele tientallen foto’s bijgevoegd, om menig sterk verhaal met gedegen bewijsmateriaal te ondersteunen.
Dit is het juiste moment om een kop koffie en kleine versnapering te pakken, en eventueel een urineersessie in te lassen. Het is namelijk nogal een lang verhaal…

Rockhampton
Toen ik in Rockhampton uit de bus stapte, kwam ik Ulf en Andy tegen; de Noor en Duitser van Fraser Island. Dit, om nogmaals aan te geven dat de Oostkust van Australië klein gebleven is door groot te zijn. Iedereen doet uiteindelijk ongeveer hetzelfde, zij het in een ander tempo.
Rockhampton is even net wat anders dan de andere plaatsen die ik tot nu toe bezocht heb. Als Beef Capital of Australia is het een waar cowboyparadijs. Een stad met ruige mensen en stapels Aboriginals (en dan niet van die leuke gevingerverfde straatmuzikanten, maar van die chronisch dronken onaangename lieden). Meer over het cowboygehalte later, maar laat ik het nu even chronologisch houden.

Na mijn eerste nachtje werd ik opgehaald door Capricorn Dave (Rockhampton ligt op de Tropic of Capricorn, hoe heet dat ook alweer in het Nederlands? Steenbokskeerkring?) Capricorn Dave doet de Reef ’n Beef Tours en is bekend van televisie, van een aflevering van Jack-Ass om precies te zijn. Hij zou een rondleiding verzorgen in de bush en wij zouden het echte Australië gaan bewonderen. Wij in dit geval, zijn de Franse François en ik. Een tamelijk kleine groep dus.
De eerste stop was een cattle farm, maatje Brabant, waar we een aantal tamme stieren, maatje buffel, hebben geaaid. Toen de grootste stier tijdens de aaisessie een familieportie gras ophoestte voor herkauwing, sprongen François en ik een toeristische dertig centimeter in de lucht. Het was duidelijk dat we nog wat moesten ontstedelijken.
Dit zou in rap tempo gebeuren, getuige onze volgende stop. In een hevig bewoonde boom vond Dave na een korte zoektocht een mooi exemplaar van de huntsman spin. Deze spin is op zijn minst groot te noemen en het gevonden exemplaar was daarop geen uitzondering. Nadat Dave er een tijdje mee had geravot, was het onze beurt om haar in het handje te houden. Een handje vol mag ik wel zeggen. Een paar leuke foto’s genomen en daarmee was de kous wel af, dacht ik in mijn naïviteit. Luttele ogenblikken later zat de achtpotige echter comfortabel op mijn gezicht. Nou da’s pas een kodakmoment.
Nog voor de lunch speelden we een typisch bush-Australisch spelletje: The Ant Dance, tevens bekend van televisie. Het principe is uiterst simpel: je zoekt een fors mierennest, trekt schoenen en sokken uit, en danst olijk in het rond op de mierenhoop en daarmee op vele mierenpikjes. De mieren reageren hierop door je collectief op te eten. De sport is zo lang mogelijk stil te staan en daarmee bush socks te kweken (voeten zwart van de mieren). Steve-O deed het in Jack-Ass vijf seconden en dat ‘record’ moest natuurlijk gebroken worden.
Na deze uitleg deed Dave het eerst even voor, waarna wij werden verzocht het spelletje mee te spelen. Het is vreemd hoe de Nederlandse geest in dit soort stressvolle situaties werkt, maar na afweging van één en ander kwam ik tot de conclusie dat ik de lijfstraf maar moest ondergaan; ik had er immers 90 dollars voor betaald…
Toen was het mijn beurt, met de blote voeten op duizenden slechtgehumeurde mieren. De bewegingen die ik aanvankelijk maakte zouden niet misstaan op een houseparty in de jaren negentig. Echter, de meisjesachtige gilletjes waarmee ik het geheel muziekaal ondersteunde waren zelfs voor de disco jaren tachtig te extravagant. (Gelukkig neemt mijn camera geen geluid op). Toen een poosje stilstaan. Verbazingwekkend snel verdwijnen je voeten onder een laken van krioelend mierenvlees. Het voelt alsof duizenden kleine naaldjes je in je voeten prikken. Niet echt pijnlijk, maar zeker geen pedicure. Een seconde of tien later had ik er genoeg van lanceerde ik met genoegen de mieren van mijn voeten. Steve-O was ruim verslagen en ik kan niet anders zeggen dan dat hij een watje is, als het op voeten aankomt.
De reactie van Dave was er één uit duizenden: “Ohw shit, I don’t think your camera recorded this… What? Ohw, was I supposed to keep the button down??”
Vriendjes en vriendinnetjes, zo’n sessie kinky voetjevrijen, zonder lachwekkend bewijs voor het thuisfront is een hoogst onbevredigende bezigheid. Ik wilde dat filmpje, dus er zat niets anders op dan nogmaals de mieren te plezieren.
Sessie twee was een voedersessie van dertien seconden. Toen ik hierna weer miervrij was bleek ik van beide sessies filmpjes te hebben. Die Dave…
Voor de geïnteresseerden: het record van mierendansen is ruim zeven minuten, gezet door een Ier met een blik bier in de hand. Na ongeveer een minuut beginnen de mieren serieus te eten en de Ierse voeten schijnen dan behoorlijk bloedig te zijn geweest, na zijn moedige poging. Wat betreft mijn eigen voeten; ruim een week later zijn er nog steeds bultjes zichtbaar. Dit zou niet de bedoeling moeten zijn, maar zoals gewoonlijk reageer ik vrij heftig op bijtende insecten. Die bultjes gaven in ieder geval wat leuke gespreksstof. Het was, hoe vreemd het ook mag klinken, een bijzonder geinige ervaring.

De lunch werd genoten in een pub ik een klein cattle farm dorpje; het ware Australië. Aan de bar kleefde een oude man die daar al geruime tijd zat te bieren. De man zat mij vol verbazing aan te staren; ik droeg namelijk een t-shirt en de nachten waren op dat moment een stuk kouder dan normaal. Het was voor hem een manier om een gesprek aan te knopen. Dit gesprek ging naar verloop van tijd over naar het onvermijdelijke mysterie waar ik dan wel niet vandaan kwam. Dit ging ongeveer zo:
Met een rode neus en ligt wiebelend van zijn ene voet op de andere vroeg hij “Where are you from?” Ik antwoordde waarheidsgetrouw “The Netherlands”. Zijn gezichtsuitdrukking nam een bijzonder vragende vorm aan en zijn wiebelamplitude nam enigszins toe. Toen hij na tien seconden nog steeds niet had begrepen wat ik zojuist had verklaard, verduidelijkte ik met lichte tegenzin met “Holland”. Bij de verwerking van deze nieuwe informatie begonnen zijn ogen onafhankelijk van elkaar te draaien, alvorens ze voor korte tijd sloten, voor een eindsprint in het denkproces. Toen ze weer openden, opende hij met hen zijn mond en sprak “Aaaah, that’s that little Dutch place, isn’t it?”
De naamgeving van ons landje is dan ook niet eenvoudig voor een oude, beschonken koeienboer uit ruraal Australië… Voor de rest van de wereld overigens ook niet en ik heb dan ook al tientallen malen uit moeten leggen waar al die verschillende naamgeving vandaan komt.

Na de lunch zochten we vergeefs naar slangen. Voor hen was het iets te koud. Wat we nog wel vonden waren een paar geckos (hagedisjes) een pad en een paar red back spinnen. Deze spinnen zijn de op één na dodelijkste van Australië. Dave zag dit echter anders: “Red back spiders are not dangerous. Deadly, yes… But not dangerous”.

Het zal moeder deugen dat ik gedurende de bush tour goed op mijn voeding heb gelet. Zo heb ik mijn portie eiwitten en vezels binnen gekregen door een paar termieten op te peuzelen. Ze smaken naar vrijwel niks, maar aan de goede kant van niks. Als je er een lepelvol van naar binnen kauwt schijnen ze naar de boom te smaken die ze op dat moment aan het verteren zijn.
Voor mijn vitamine C (ik was immers behoorlijk verkouden), heb ik de kontjes gekust van een aantal groene, tropische boommieren. Die zijn gevuld met vitamine C en de smaaksensatie is zo heftig citrus dat je je gezicht maar moeilijk geplooid kan houden. Lekkere kontjes dus en een geinig trucje voor op feestjes, al moet je wel een kudde groene, tropische boommieren in de buurt hebben…

De dag werd afgesloten met een kampvuurtje en een kop koffie en de avonturen van Dave op eerdere tours en tochten. Vele verschillende beesten hebben Dave in het verleden gebeten; spinnen, slangen, noem maar op. Grappig om te horen dat een beet van een duizendpoot hem bijna fataal werd, daar is hij kennelijk allergisch voor…

Vervolgens heb ik in Rockhampton de beste biefstuk van mijn leven gegeten, alvorens ik naar de rodeotraining ging kijken. Een bar in de stad heeft een rodeoring in het etablissement gebouwd en daar word elke week getraind voor de maandelijkse wedstrijd.
Het is een absurde sport. Je neemt een flink stuk stier, je zet er een levensmoede cowboy op en verbind beide met een touw, bij de cowboy rond de hand en bij de stier rond de testikels. En dan onderzoek je hoe lang deze configuratie stand houdt.
In één van de gevallen ging het wat fouter dan normaal. De cowboy gleed langzaam van de stier af en kreeg een hoef tegen het hoofd, waarop de cowboy begrijplijk reageerde door bewusteloos in het zand te gaan liggen. De stier in kwestie nam de hele klotensituatie hoogst persoonlijk op en galoppeerde een keer of vier over het roerloze lichaam heen. Na de eerste keer stopte ik uit schok met filmen; het zag er namelijk niet goed uit. Inmiddels was er iemand aanwezig die met een emotieloos gezicht een hartslag probeerde te ontwaren, terwijl vijf mensen de stier probeerden af te leiden. De stier viel iedereen aan, maar bleef terugkomen naar de onfortuinlijke ballenknijper. Na een halve minuut was de stier nog steeds niet onder controle en tot mijn grote schrik kwamen er plots vijf andere stieren de ring in. Dit bleek echter gepland en de ontdane stier in kwestie werd direct rustig.
Inmiddels was het meisje dat voor ons zat met lijkbleek gezicht richting toilet gerend om niet meer terug te komen voor de rest van het spektakel. De cowboy kwam bij en kon tegen al mijn verwachtingen in op eigen krachten naar de ambulance slenteren. Gedurende de commotie speelden de kinderen nog steeds rond de ring en waren de locals nauwelijks onder de indruk. De training ging dan ook gewoon verder.
Even later was een stier zo ontevreden met de situatie dat hij in het bokken zijn poot brak. Dat was een minder mooi beeld; een stier die in paniek loeiend en met een rondzwaaiend ledemaat nog steeds mensen probeerde te satéën. Ik hoop dat hij snel uit zijn lijden is verlost. Ik heb het filmpje van deze situatie maar niet online gezet; als Agnes Kant het zou zien….
Al met al is het dus een absurd, tamelijk dieronvriendelijk tijdverdrijf. Om het nog wat absurder te maken: kinderen doen het ook. Kereltjes van een jaar of tien kruipen op een kleine stier, pa en ma supporterend aan de rand van de ring…

Ohw ja, over de Aboriginals. Laat ik zeggen dat ik blij was dat ik die avond (het was slechts half tien), met twee andere kerels naar het hostel liep. Er werd ons constant gevraagd of we iets te roken hadden en op een gegeven moment werden we tegemoet gekomen door een oude, dronken Aboriginal man die bleef schreeuwen dat hij ‘hem ging vermoorden’. We waren opgelucht dat het niet één van ons betrof, nadat hij al tierend langs ons was gelopen.
Laat ik ten overvloede nog even vermelden dat de beschreven figuren geen representatieve steekproef vormen voor de Aboriginal bevolking. Als Femke Halsema het zou lezen… Maar nu we op het onderwerp zijn; ik heb zo in de laatste weken wel een mening opgebouwd over het hele Aboriginal aspect van Oostkust Australië:

Uiteraard is het meer dan ellendig wat er in het verleden allemaal is gebeurd. Hele stammen zijn genadeloos afgeslacht, zoals wij blanken dat wel vaker pleegden te doen in onze koloniseringdrift. Maar nog steeds zijn de verhoudingen behoorlijk slecht. De meeste Aborigines leven in hun eigen gemeenschappen, veelal met slechte scholing, gezondheidszorg en een waardeloos toekomstperspectief. Alcoholisme is een reusachtig probleem, waar de Aborigines kennelijk genetisch extreem vatbaar voor zijn. Recent onderzoek laat zien dat de levensverwachting van een Aborigine significant korter is dan van een blanke Australiër (ik dacht een jaar of 10, maar weet het niet meer precies). Er is dus nog steeds een behoorlijke ongelijkheid.
Blank Australië lijkt erg bewust van het aangedane onrecht en diens gevolgen. Overal, in elk museum, zie je Aboriginal exhibities. Ik heb mezelf gedwongen serieus naar een aantal exhibities te kijken en de eerlijkheid gebied me te zeggen dat ik niet erg onder de indruk ben.
Overal zie je exact hetzelfde: boemerangs, didgeridoos, speren en gestippelde schilderijtjes van bijzonder natuurongetrouwe kangoeroes, koala’s en platypussen. Na 46000 jaar oefenen konden ze kennelijk nog steeds niet behoorlijk tekenen (er moet natuurlijk ook gezegd worden dat een moderne Mondriaan in onze ‘rijke beschaving’ ook niet echt van uitzonderlijke intelligentie getuigt. De mensen die daar miljoenen voor neertellen nog veel minder).
Kortom, het komt op mij over dat de Aboriginal cultuur lang niet zo afwisselend en interessant is als vaak wordt geschetst en dat alle aandacht die er middels musea aan wordt besteed meer uit schuldgevoel is, dan uit historische significantie. Daarnaast is het natuurlijk ook een mooi middel om toeristen nog een paar dollars uit de zak te kloppen, die vermoedelijk in blanke handen blijven.
Dit alles neemt natuurlijk niet weg dat de cultuur best interessant en uniek is, als je dat soort dingen gaaf vindt. Immers, boemerangs zijn cool en didgeridoos grappig. De Aboriginal overlevingscapaciteit in jungle en woestijn zijn indrukwekkend. Maar dit alles neemt niet weg dat het allemaal behoorlijk gehyped wordt, in mijn ogen.
Het is maar een indruk die ik heb en misschien dat die verandert na mijn bezoek aan The Northern Territory, waar er veel meer Aboriginal cultuur te vinden is, dan aan de Oostkust. En misschien ben ik wel gewoon veel te bekrompen en afgestompt in mijn luxueuze Westerse wereldje om de pracht van andere, oudere culturen te kunnen waarderen… Waar anderen live Aboriginal muziek als een unieke ervaring schetsen, durf ik te beweren dat het je meer gehoorbeschadiging kan opleveren dan een goedgemikte boemerang…

Mackay
De volgende stop was Mackay. Een tamelijk grote stad die bijzonder dood is. Het ziet er wel geinig uit, met honderden palmbomen langs de straten en een leuke kustlijn, maar dat op zondag de grote supermarkten Coles en Woolworths gesloten waren, wil toch wel wat zeggen (Deze zijn vaak 24/7 open, zelfs in kleinere plaatsjes).
Het hostel waar ik verbleef was een beetje vreemd. Het bed was echter wel bijzonder comfortabel. Alleen een beetje jammer van de bedbugs waarvoor ik twee nachten lang de catering heb verzorgd.
In mijn kamer was een reisgrage Australiër die een interessante gesprekspartner vormde. Eén van de gesprekken ging over mijn studie en onderzoek in Newcastle. Zoals iedereen die niet Nederlands is reageerde ook hij met oprechte interesse, in plaats van de ongeïnteresseerde reactie ‘Ja, dat moet ook gebeuren’, die menig Nederlander eigen is, wanneer ik mijn studie openbaar maak. Het is nog steeds verfrissend om mensen te kunnen vertellen waar je mee bezig bent en dat ze dat serieus interessant en belangrijk vinden en dat gebeurt hier gedurende het reizen maar al te vaak.

Mijn hoofdactiviteit in Mackay was een platypus safari. Met een gezelschap van vijf toeristen en één gids gingen we naar Eungella National Park. Een prachtig gebied, groter dan Nederland, met één van de oudste regenwouden ter wereld. Op weg er naartoe passeerden we oneindige velden met sugar cane; de suikerindustrie is de hoofdindustrie in die regio.
In Eungella hebben we een korte wandeling gemaakt door het woud, waar één en ander werd verteld over de aanwezige planten en bomen en we bezochten een aardige waterval. Het viel me op dat ik gedurende mijn verblijf in Australië al veel gezien heb. Veel van de dingen die werden verteld wist ik al en van de dieren die ik zag had ik meestal al mooiere exemplaren gezien
In de middag gingen we dan op zoek naar de schuwe platypus (het vogelbekdier), die daar in het wild leeft. Eén van de laatste typisch Australische dieren die ik nog niet in het wild had gezien (er zijn überhaupt niet veel mensen die het dier in het wild hebben gezien). En na een tijdje het water afspeuren kwam er dan één. Toch wel geinig.

Airlie Beach
Bij aankomst in Airlie Beach werd ik overvallen met een heviger vakantiegevoel dan voorheen. Het is een klein, megatoeristisch, mooi dorpje, dat ondanks alle bezoekers nog steeds onthaastend aanvoelt. Het is de plek bij uitstek om op een bootje te stappen en de prachtige Whitsunday Islands te bezeilen. En dat is dan ook precies wat ik daar ging doen.

Whitsunday sailing
Voor drie dagen en twee nachten zou ik me bevinden op The Avatar; een moderne, supersnelle trimaran (catamaran met een extra drijver in het midden). Het is een prachtige schuit, met redelijke luxe zover als dat gaat in dat soort vaartuigen. Twee grote netten tussen de drijvers waren de optimale plek om te relaxen, hoewel het benedendeks ook prima vertoeven was.
Het jacht zat volledig vol: 23 passagiers en vier crewleden. Het was een uiterst Canadees geheel, met een groep van 8 Canadese leraarstudenten, een groep van vier Frans Canadezen en een Canadese kok. Daarnaast nog een hoogst geinig gezelschap van vier Ieren en twee Deense vrienden en dan een aantal individuen in de vorm van een Ierse, Engelse, Duitser, een Australiër en ikzelf. Ik ga verder niet te veel uitweiden over alle individuen, maar de Ieren waren het gaafst; een koppel en haar broer en een vriend. Dat koppel bezoek ik wellicht over een paar weken als ik weer in Sydney ben, daar wonen ze namelijk.
De crew was al even geinig. De skipper Murray was slechts 21 en had een leuke manier van uitleg geven. Als ervaringscompensatie was daar Davo, een oudere kerel en als traktatie voor zowel oog en maag was daar de Canadese Cory, die fantastische maaltijden bereidde in zowel kwaliteit als kwantiteit.
De tocht was eco geaccrediteerd en we mochten derhalve niet lullig zijn voor de natuur. Dit werd gegarandeerd door de instelling van één van de ergste lijfstraffen denkbaar: als je iets overboord liet vallen, moest je een eetlepel Vegemite slikken. Geloof me, da’s erger dan keilhalen. Gelukkig was ik braaf en bleef ik Vegemite-vrij.

Dag één motorden we naar Turtle Bay. Het weer was perfect; zon, warmte en geen wind, want wind is koud deze tijd van het jaar. Instantane ontspanning zette in, terwijl ik tussen Canadese be-bikini-de borsten het eerste biertje tot mij nam.
Turtle Bay heet Turtle Bay, omdat er zoveel grote zeelschildpadden te zien zijn. Een goede reden om met een snorkelsetje overboord te springen. Prachtig koraal, prachtige kleurige vissen, klein en groot, en reusachtige zeeschildpadden die eindeloos relaxed door het water glijden en zich nauwelijks storen aan die lijpe toerist met zijn onderwatercameraatje vlakbij hem. Sterker nog, ze vonden het zo af en toe wel interessant om voor je te poseren. Helaas was de kwaliteit van mijn wegwerpcameraatje wat betreft belichting niet geweldig en de meeste foto’s zijn dan ook hopeloos, sommige anderen slechts acceptabel.
’s Avonds geankerd in een idyllisch baaitje, alwaar wij na een uitstekende avondmaaltijd gewapend met bier en wijn elkaar beter leerden kennen. Er werd een vreemd laag-tempo, ritmisch drinkspelletje gespeeld waarin je dieren moet uitbeelden. Best geinig. Het spelletje werd kort onderbroken om de maansopgang te bewonderen, een fenomeen wat de crew slechts eens in de drie jaar in deze vorm kon zien.
Tenslotte geslapen in mijn kleine hutje in één van de buitenste drijvers, die ik deelde met de Australiër.

’s Ochtends werd er direct begonnen met een snorkelsessie. De mooiste van de tocht. Prachtig koraal, soms niet dieper dan veertig centimeter (da’s best voorzichtig snorkelen), met hele diepen kloven ertussen. Vissen, schildpadden, zeesterren, het één nog kleuriger dan het ander. In de verte kon je de waterexplosies zien van doorbrekende walvissen, maar helaas te ver weg om de walvissen zelf te kunnen bewonderen.
Na het snorkelen motorden we verder naar Whitsunday Island, met het prachtige Whitehaven Beach. Gedurende de tocht speurden we de horizon af voor walvissen, dolfijnen en ander maritiem creatuur van aanzienlijke afmetingen. Aangekomen in de baai van bestemming werden we met een klein bootje aan land gezet, om eerst naar de lookout te lopen. Het uitzicht hier was adembenemend, de plek waar menig ansichtkaart is gefotografeerd. Paradijs in haar puurste vorm.
Daarna naar het strand Whitehaven Beach, het op drie na mooiste strand ter wereld, volgens de officiële ranking. Het witte zand is voor 98 procent silicium en heeft menig camera het leven gekost (kennelijk reageert het silicium binnenin de camera niet zo goed met de ongecontroleerde vorm erbuiten) en ik vrees dat de mijne er ook onder heeft geleden, hoewel hij het nu weer lijkt te doen.
Weer terug naar The Avatar voor de avondmaaltijd en de overnachting, maar eerst weer een gezellige avond die door sommige werd afgesloten met een nachtelijke, koude zwempartij. Dit was toch niet helemaal de bedoeling, aangezien de tijgerhaai ’s nachts foerageert. Iedereen behield echter alle ledematen, dus geen man overboord (figuurlijk dan).

De volgende dag was het weer lekker weer, maar dit keer met wind. Dit had als nadeel dat het koud was, maar als voordeel dat we ons bootje ook in actie zouden zien. Maar eerst nog een portie snorkelen!
Na het gezamenlijk hijsen van het grootzeil hadden we al snel een aardige snelheid. Het fijne extraatje hier was dat deze schuit volledig recht bleef, waardoor je dus volledig ontspannen in één van de netten kon liggen, met niks dan het geluid van de zee en je eigen gedachten. Dat deze gedachten niet veel dieper waren dan ‘wat zal ik vanavond eens gaan eten’ en ‘hoeveel kilo’s zouden er in die reusachtige Canadese borsten gaan’ (uiteraard uit zuiver wetenschappelijke interesse), zegt iets over de vergevorderde staat van ontspanning.
Voor een wederom uitstekende lunch legden we aan in de baai van een heel duur resort, alvorens we weer terug naar Airlie Beach zeilden. Gedurende dit laatste stuk viel ik in slaap en met mij een heleboel anderen.
Na terugkomst werd er nog gezamenlijk naar de kroeg gegaan voor een avondmaaltijd en afsluitende gezelligheid van een absoluut hoogtepunt van mijn reis.

Magnetic Island
20 Kilometer uit de kust van Townsville ligt Magnetic Island, ’s werelds grootste Koalareservaat en een buitengewoon prachtig eiland. Hier vind je de meest maagdelijke baaitjes aan de voet van rotsachtige heuvels, alleen bereikbaar middels een stevige wandelpartij.
Aangekomen in mijn hostel werd ik hartelijk ontvangen door Richard en Sebastién, die ik daar voor de zoveelste keer ontmoette. Ik checkte in, dumpte mijn spullen, en voegde mij tot het drinkgezelschap. Een prima avond.
Minder aangenaam was de nacht. We verbleven in bijzonder sfeervolle hutjes, hetgeen niet veel meer was dan een dak op een frame. De muren waren grotendeels vervangen door muggengaas, waardoor een meer dan fris briesje Fraser Island herinneringen opriep. Deze winter is de koudste ooit in Australië, heb ik me laten vertellen. (Uiteraard nog steeds niet te vergelijken met Nederlands warmste winter)
Behalve de thermische problematiek die het muurbezuinigsbeleid met zich meebracht, was er ook een zeker akoestisch element dat ik wil aanstippen. ’s Ochtends rond een uur of acht ontwaakte ik uit een nachtmerrie over een hypermug met megazuig door het geluid van één of meerdere bladblazers die intensief bladeren aan het blazen waren. Dit soort ongepland ontwaken door een sessie tuinieren met luisteraars zette mij tot denken. Om te beginnen; waarom bladeren blazen? Iedereen weet dat het eerstvolgende lentebriesje alle moeite vergeefs maakt. Daarnaast kan met dezelfde hoeveelheid energie het proces worden omgedraaid waardoor een bladzuiger gecreëerd wordt. Ruimt wel zo lekker op, dacht ik zo.
Belangrijker; waarom bladeren blazen/zuigen om 8 uur ’s ochtends? Waarom staan Freek en Herman de bladblazers/zuigers nog voor zonsopgang op om gezamenlijk bladeren te gaan blazen/zuigen? Dit is namelijk een proces dat gedurende alle zonne-uren van de dag uitgevoerd kan worden. Het is namelijk niet zo dat Freek en Herman een druk schema hebben. Na de ochtendblaas/zuig snoeien ze nog een struikje, alvorens tot een licht alcoholische, dagvullende siëstastatus over te gaan.
Dit is overigens iets wat ook in alle hostels te zien is. Check-out is zelden na tien uur ’s ochtends, vaak vroeger. Backpackers moeten dus moe en bekaterd hun schamele bezittingen bij elkaar sprokkelen en in een te kleine rugzak duwen, terwijl het al even vermoeide en bekaterde personeel (ook backpackers) binnen een uur of twee alle kamers soort van schoonmaakt. Tegen twaalf uur is alles dan gereed voor check-in, wat vrijwel niemand rond die tijd doet, en heeft het personeel de rest van de lange dag geen sodemieter te doen. Al met al een bijzonder inefficiënte manier van etmaalindeling, als je het mij vraagt…

Op het eiland heb ik dag één doorgebracht met wandelen en snorkelen, met Franse vriend Sebastién. Zoals eerder gezegd; het eiland is magnifiek en ik hoop dat de foto’s hier een fractie van kunnen representeren.
Dag twee heb ik deels doorgebracht in het aan het hostel grenzende, kleine wild life parkje. Hier kreeg je om de vijf meter een dier in je handen gedrukt, waarvan uiteraard stapels foto’s werden gemaakt. Het begon met een niet al te grote saltwater crocodile, optimistisch Godzilla genaamd, en ging via cockatoo, salamander en slang naar de koala. Tussendoor nog wat wallabies gevoerd en al met al dus een bijzonder diervriendelijke dag.
Na een laatste eilandlunch die ik nauwelijks uit de gretige klauwtjes van de aanwezige possums kon houden, stapte ik weer op de eilandbus en de veerboot, terug naar vasteland.
Het was op de veerboot dat ik realiseerde dat ik de honderd dollar, een pakketprijs voor accommodatie, vervoer en koalaknuffelen, nooit had betaald. Waarschijnlijk een communicatiefoutje tussen het hostel waar ik had geboekt en het hostel in kwestie. Men had wel mijn creditcardnummer, wat je hier dagelijks geeft om je boekingen veilig te stellen (dus zonder betalingstoestemming), maar dankzij de Rabobank hoefde ik niet bang te zijn dat me via die weg geld afhandig gemaakt zou worden. Een gunstige situatie dus, waar ik buiten mijn schuld om in verzeild was geraakt. En daarmee een prima excuus om elders honderd dollar aan nutteloze dingen en te duur voedsel over de balk te smijten.

Townsville
Na het korte veerboottochtje bevond ik me dus weer in Townsville; een sfeervol stadje met zo’n 150.000 inwoners, een goed hostel en een prima bioscoop, alwaar ik twee avonden genoeglijk naar rolprenten heb getuurd.

In Townsville heb ik de teenslippers weer eens omgeruild voor degelijker schoeisel, voor een stevige klim naar Castle Hill. Castle Hill is een piek waar vreemd genoeg geen kasteel te vinden is, maar waar een kasteel zeker niet zou misstaan. Het is een aardige klim omhoog, langs een lange, rotsachtige trap. Eén van de foto’s laat de berg zien en ik kan enige trots niet onderdrukken wanneer ik vertel dat ik 20 minuten na het nemen van die foto op de top stond.
Het uitzicht is aangenaam. In het Oosten Magnetic Island, in de andere windrichtingen het uitgestrekte Townsville Suburbia.

Na deze training ben ik de stad ingegaan, en heb ik ‘The Strand’, een levendige boulevard, verkend. Aan het einde van The Strand bevinden zich The Rock Pools (meervoud); een uit rots uitgehouwen zwembad (enkelvoud). In Noord Queensland is het namelijk niet zo’n jofel idee om gedurende de zomer de zee in te gaan, aangezien het meest giftige dier ter wereld daar dan massaal baantjes trekt: The Box Jellyfish. Eén zo’n klein kwalletje is in staat om dertig mensen een behoorlijke pijnlijke dood te laten sterven. Een Rock Pool is dan nog niet zo’n slecht alternatief.
Tevens heb ik me een aantal uren vermaakt in Reef HQ; een groot aquarium in het teken van het Great Barrier Reef. Prima opgezet en leuk voorspel voor mijn latere duikcursus.

Mission Beach
In Mission Beach wachtte mij een bijzonder relaxed hostel. Erg veel was er niet te doen, maar dat was dan ook niet waar het het hostel om te doen was. Menig gast lag rondom het zwembad wat te ademen en hier en daar durfde een individu het aan wat lichte proza te lezen. Na met zichtbare moeite een aantal bladzijdes omgeslagen te hebben, werd er meestal weer een uurtje uitgerust.

De volgende ochtend trilde mijn goedkope Nokia mij al heel vroeg wakker. En vijf minuten later werden de jongen en het meisje in mijn hutje wakker geklingeld door een al even goedkope Nokia’s (alle backpackers hebben hier exact dezelfde goedkope, rode Nokia). Wij zouden gaan raften op de Tully River.
We werden opgehaald in een klein persoonlijk busje, maar al snel werden we samen met de inhoud van verschillende kleine, persoonlijke busjes in twee grote, onpersoonlijke touringbussen geknikkerd. De Tully River is populair, zo blijkt.
Deze populariteit is overigens niet ongegrond. Er zitten een aantal uitstekende stroomversnellingen en watervallen in de rivier, veel daarvan van klasse 4. Helaas was het water tussen deze attracties vrij rustig en moesten we vanwege de grote drukte erg veel wachten. Het maakte de adrenaline er niet minder op, wanneer je als één van de enige nog net binnenboord bleef, terwijl je bootgenootjes met sierlijke bogen en indrukwekende oerkreten in het witte water werden gelanceerd.
Na het raften werden een aantal best gave foto’s getoond. Helaas bleken deze 15 dollars per stuk te kosten, wat natuurlijk volledig nergens over gaat. In plaats daarvan besloten wij als groep één foto aan te schaffen en deze rond te mailen. Het was zeker niet de gaafste foto, maar één van de weinige waar iedereen soort van herkenbaar op staat. De meeste andere foto’s omvatte over het algemeen een riante hoeveelheid ongecontroleerd water op hoofdhoogte.

De volgende dag heb ik een wandeltochtje gemaakt door het regenwoud, met als hoofddoel het spotten van de Southern Cassowary. De Cassowary is een bijzonder prehistorische, lelijke, kleurige en domme loopvogel, van struisvogelachtig formaat die alleen nog maar in een heel klein stukje Noord-Queensland voorkomt. Hij is behoorlijk belangrijk voor het regenwoud, omdat het de enige vogel is die groot genoeg is om de zaden van zo’n 80 verschillende florasoorten op te eten en elders uit te schijten. Helaas heeft de vogel een voorliefde voor snelle auto’s en dit is één van de vele redenen waarom het dier nogal met uitsterven wordt bedreigd. Volgens schattingen zijn er nog maar 1500 Cassowaries over. Dit is overigens niet omdat het beest zichzelf niet kan verdedigen. Mocht je een boze Cassowary tegenover je hebben dan kun je maar beter achter een boom gaan staan, want het beest is behoorlijk snel en maakt dropkicks met zijn belachelijk schadelijke klauwen en bewerkt je met de snavel, mogelijk tot de dood erop volgt. Hij is hiermee ’s werelds meest dodelijke vogel. Meestal echter, interesseren ze zich niet zo in mensen.
Na tien minuten lopen kwam de eerste Cassowary in zicht. Na wat foto’s liep ik er langs om na een kwartiertje een tweede exemplaar tegen te komen. Deze kwam twee meter voor me uit de struiken het pad overgestoken, in het zonnetje. Een waar Kodakmoment, helaas verre van optimaal benut doordat mijn camera te traag was. Maar de eerste heb ik toch redelijk op de foto weten te krijgen.

Cairns
Cairns, min of meer het eindpunt van mijn tocht. Een door en door toeristisch gebeuren dat ik na ruim acht weken reizen wel zo oninteressant vond dat ik er geen enkele foto van heb gemaakt. Het strand is een grote, stinkende modderpoel en het is dan ook niet vreemd dat iedereen rond The Lagoon, een kustzwembad, hangt. Het enige goede aan Cairns is eigenlijk het verlaten van de stad om één van de vele geweldige activiteiten te ondernemen die de prachtige omgeving mogelijk maken. Dat en een bruisend uitgaansleven zorgen voor een reusachtige hoeveelheid geld die de toeristensector daar dagelijks binnenhaalt.

De eerste hoofdactiviteit en wellicht hét hoogtepunt van mijn tocht was mijn vijfdaagse PADI Open Water duikcursus. De eerste twee dagen stonden in het teken van simpele theorie en leuke oefeningen in het zwembad. Zo wordt je voorbereid op allerlei situaties van veel voorkomende tot uiterst zeldzame situaties en noodgevallen. De laatste drie dagen zouden doorgebracht worden op een bootje op The Great Barrier Reef.
Ik was zo fortuinlijk om als buddypaar aan de schone, Zweedse, sympathieke Anna gekoppeld te worden. Een meisje half zo groot als ik, die dankzij dit verschil in massa meestal nog stapels lucht over had, als ik alweer naar de oppervlakte moest (en zij dan dus ook).
De tocht over open zee naar het reef duurde een uur of drie. Het weer gedurende deze tocht, alsmede de rest van de drie dagen, was verre van perfect. Een harde wind en veel bewolking. De tocht was een wilde, waar eenieder die eigenwijs genoeg was geen zeeziektepillen te slikken, ter vermaak diende van de verstandigere meerderheid. Op het Reef aangekomen is het, vanwege het reef, een stuk rustiger. Helaas, vanwege het weer, niet de plaatjes zoals op de brochures, waarbij je de schaduw van de boot op het kleurrijke koraal op de bodem kunt zien, met allerlei visspul ertussenin. Gelukkig was het zicht eenmaal onderwater nog steeds goed; vijftien tot twintig meter.
De eerste dag waren er twee duiken, beide redelijk vol met dezelfde oefeningen als in het zwembad. Uiteraard zie je een hoop gave dingen, maar erg veel tijd heb je er niet voor, wanneer je onder water onder andere je duikbril af en weer op moet doen, zuurstof moet lenen bij je buddy en je materiaal moet uittrekken en weer aandoen.
De tweede dag, op een andere locatie waren er vier duiken. Twee ervan zoals de dag ervoor, nog voor de lunch, zodat we met de lunch gecertificeerd waren. De derde duik was dan onze eerste zonder instructeur, alleen met je buddy. Toen begon het pas echt; alle tijd om de onderwaterwereld te verkennen. Hoewel, alle tijd… Een duik duurde doorgaans niet veel langer dan een half uur, tegen die tijd was de lucht wel op. Prachtige duik, erg veel gave dingen gezien.
De vierde duik was een nachtduik. Nog kouder dan voorheen om weer in je natte wetsuit te kruipen, met die ellendige koude wind. Maar zeker de moeite waard. Hoewel we in het begin met onze zaklampjes maar weinig bewegends konden vinden, werd het naar het einde toe beter, met als hoogtepunt, net voordat we weer naar boven gingen, een twee meter langer Grey Reef Shark.
De derde dag was een drukke. De voorbije dagen waren we al steeds belachelijk vroeg opgestaan, maar deze dag was met half zes een record. Nog voor zonsopgang (die uiteraard belabberd was door alle wolken), kregen we nog voor het ontbijt de eerste duikbriefing. Net na zonsopgang, gewapend met een duur gehuurde onderwatercamera het water in, voor de gaafste duik die ik heb gemaakt. In de hoofdrol een stuk of twaalf zeeschildpadden, een kudde barracuda’s, een Maori Napoleon Wrasse van anderhalve meter en een twee meter lange White Tip Reef Shark. Daarnaast natuurlijk een onbeschrijflijke hoeveelheid kleurrijke, vreemde en kleine en grote vissen (een meter lengte is niks). Helaas heb ik geen walvissen gezien, in tegenstelling tot twee andere duikers op de boot. Het is namelijk walvissen seizoen en de Minke Whale en Humpback Whale worden menigmaal gespot.
Een andere grappige anekdote is dat ik gedurende mijn vreemde bewegingen om een Reuze-oester te fotograferen, plots iets van me af voelde glijden; mijn gewichtengordel, een tamelijk essentieel stukje technologie om onder water te blijven. Nog voordat de gordel de bodem raakte, was ik al in hoog tempo op weg naar de oppervlakte, wat zoals eenieder weet bijzonder vervelende gevolgen kan hebben voor je gezondheid. Gelukkig was het er toevallig maar 5 meter diep, (dit wil je niet op dertig meter) en kon ik nog voordat ik twee meter was gestegen terug naar de bodem zwemmen om mijn gordel weer op te pakken en weer aan te doen. De enigszins geschrokken reactie van mijn instructeur toen ik het verhaal vertelde was dat hij blij was dat we dat soort dingen geoefend hadden. Wat dat betreft moet ik ook zeggen dat de voorbereiding in de eerste drie dagen zo gedegen is dat ik me nooit oncomfortabel heb gevoeld onder het water, inclusief de haaien, de giftige Lionfish, scherp koraal en een verloren gewichtengordel.
Na de duik een prima ontbijt (al het eten was trouwens erg goed en voornamelijk erg veel; gemiddeld 5 maaltijden per dag), om een uurtje later alweer voor de tweede keer in het water te liggen, op een andere locatie. Toen net voor de lunch nog een derde duik gemaakt, alvorens het tijd was voor de zeeziektepillen voor een nog veel ruigere terugtocht.
Terug aan land was er uiteraard een afterparty, waarbij iedereen tegen elkaar aanschreeuwde vanwege de vele liters water die verdeeld waren over de oren. Dit effect zou bij mij en een aantal anderen nog ruim een week aanhouden (ontzettend irritant), omdat we toch wat problemen hadden met oren klaren en daardoor wat vocht achter de trommelvliezen hadden gekregen. Niks ergs aan, gaat vanzelf over, maar het duurt retelang.
Ondanks dit detail is duiken het gaafste wat ik in tien weken heb gedaan en zeker iets wat ik vaker ga doen. Wanneer ik terug ben in Eindhoven zal ik eens informeren bij Studentenduikvereniging Blub, of die nog wat leuks doen. En de duikvereniging in Newcastle doet misschien ook wel iets gaafs.

Een andere hoofdactiviteit was een tweedaags bezoekje aan The Daintree, het oudste regenwoud ter wereld, ten Noorden van Cairns, met als hoogtepunt Cape Tribulation. Dit is het eerste stukje Australië door Cook vernoemd, nadat hij wat verder in het Noorden zijn schip The Endeavour bijna tot zinken had gebracht op The Great Barrier Reef. Hij was gedurende het hele gebeuren tamelijk slecht gehumeurd, wat blijkt uit naamgeving als Mount Sorrow en het hele tribulation gebeuren en dat soort dingen.
Hoe dan ook, Cape Tribulation is een kaap met een strand Noordelijk en strand Zuidelijk die grenzen aan het regenwoud. Met andere woorden; het ene moment loop je door een jungle, het volgende moment lig je op het strand. Erg bijzonder. Nog bijzonderder is het dat het daadwerkelijke Reef luttele meters uit de kust begint.
De eerste dag had ik een tour langs alle hoogtepunten van de Daintree, beginnend met een prima dierentuintje, daarna The Mossman Gorge, toen een cruise op de met gevaarlijke  Saltwater Crocodiles bezaaide Mossman River, en eindigend bij mijn hostel nabij Cape Trib. Onderweg nog maar weer eens een Cassowary gezien, waarmee de score op 3 van de 1500 staat, wat me niet verkeerd lijkt.
De volgende dag wat rondgewandeld in de prachtige omgeving, waar ik vooral van de Mangroves heb genoten, uiteraard goed uitkijkend voor krokodillen.
’s Middags zou ik gaan Canopy Jungle Surfen. Een attractie waarbij je langs een kabelbaan door het regenwoud surft, waardoor je de boel eens vanaf de bovenkant ziet. Een geinige activiteit, waarbij het bijzonder goede personeel zijn uiterste best deed om me iets te vertellen over de flora, fauna en historie wat ik nog niet wist. Zonder al te veel succes. Maar ja, tien weken om de Oostkust te bekijken kan natuurlijk niet zonder hier en daar wat op te steken.
Een schokkend aspect aan het hele Cape Trib gebeuren was wel de onvoorstelbare hoeveelheid Nederlanders. Tot zover had ik het nog aardig getroffen en was ik op de meeste tours en grote activiteiten (Fraser Island, Whitsundays, duikcursus) de enige Nederlander. In de dagtour en het Jungle Surfen was ruim de helft Nederlander en dan geen backpackers, maar gezinnen, ongetwijfeld in caravans. Een uiterst vreemde gewaarwording.

De rest van de dagen die ik in Cairns was, tussen de activiteiten in, bracht ik veelal door met Anna, mijn duikbuddy en Emma en Kristina, twee andere Zweedse meiden van de duikcursus. Anna komt trouwens uit Uppsala, dus die bezoek ik wellicht nog als ik  Aert en Victory ga bezoeken, hopelijk binnen niet al te lange tijd.
Tot mijn grote verrassing werd ik ook herenigd met Sandro, mijn beste Duitse maat uit Newcastle. Stapels verhalen en foto’s uitgewisseld onder het genot van een stevige pot pils. Tevens de eerste plannen gemaakt voor een bezoek van hem en zijn vrienden aan Eindhoven voor Nieuwjaar, dus wie weet…
De volgende dag was Sandro vergezeld door Hannes, één van zijn vrienden waar we in Melbourne verbleven. Nog een dag later was Sandro weer weg, maar Richie, één van de andere Duitse gastheren in Melbourne verving hem. Net nadat ik weg was schijnt ook de derde, Michael, in Cairns te zijn aangekomen. Best geinig dus en het maakte de laatste uitgaansavond een stuk gaver.
Toen ik, net voor mijn vlucht naar Sydney nog een meisje tegenkwam die ik negen weken geleden in Port Macquarie was tegengekomen, was ik niet echt meer verbaasd. Ook niet toen ik hoorde dat Sandro een Noorse gast waar we in Melbourne mee uithingen midden in de woestijn was tegengekomen en dat diezelfde kerel dan weer naast Laura uit Melbourne zat op een vlucht een aantal dagen later. Iets wat ik later weer via Laura te horen kreeg. Australië, hoe groot het ook mag zijn, is een mysterieuze aaneenschakeling van vreemde herhaalde ontmoetingen.

Twee dagen voor mijn vlucht naar Sydney had ik eindelijk de beschikking over een werkende creditcard en bankpas, waarmee ik eindelijk weer bij mijn Nederlandse rekening kon. Een week of negen heeft de Rabobank dus nodig gehad om hun schandalige fout goed te maken. Dat dit ‘zo snel’ geregeld is, is alleen maar omdat ik na een tijdje zelf maar aan het bellen ben gegaan, om de passen op de juiste plaats te krijgen. Anders had ik ze vermoedelijk nog steeds niet…

Sydney
Terug in Sydney aangekomen had ik eigenlijk als hoofdactiviteit het opzoeken van mijn leuke reisagente, om haar te vertellen hoe het allemaal was geweest. Het was een leuk weerzien op haar werk, maar helaas geen afspraakje voor die avond, want behalve dat ze een beetje ziek was, moest ze tevens een vriendin entertainen die ook net terug was van vakantie. In plaats daarvan maar naar de bioscoop met Emma en Kristina, die een dag eerder naar Sydney waren gevlogen. Harry Potter 5, best verwarrend als je delen 2 t/m 4 niet hebt gezien…
Toen ik de volgende dag de uitnodiging kreeg wat te gaan eten/drinken die avond moest ik afzeggen, omdat ik terug naar Newcastle ging om daar een laatste glimp op te vangen van de Engelse Steph en Duitse Christina, de laatste overgebleven bekenden, die over een paar dagen vertrekken.
Gelukkig is Sydney niet zo ver, dus waarschijnlijk stap ik binnenkort op de trein voor een hapje en/of drankje…

En zo kwam er een einde aan mijn avonturen van mijn eerste en langste reis. Het was, zoals hopelijk wel duidelijk is geworden, een fantastische ervaring met vele, vele goede herinneringen en een heleboel nieuwe vrienden die ik hopelijk later nog eens terugzie.
De duur van de reis was nagenoeg perfect. Nooit heb ik me moeten haasten (veel mensen doen dezelfde afstand in 10 tot 20 dagen, uiteraard met een stuk minder activiteiten), en ik heb alles gezien en gedaan wat ik wilde, en meer. Een goed voorbeeld hiervan is het aantal gespotte dieren. Nagenoeg elk typisch Australisch dier heb ik zowel in gevangenschap als in het wild gespot, inclusief de Platypus en de Cassowary. Al met al niet iets wat veel van mijn medereizigers kunnen zeggen.
Dus… rest mij niet veel anders dan een beetje aan mijn stage te werken, alvorens ik de backpack opnieuw op de rug neem, om het midden van dit prachtige land te verkennen!