Reizen: Rainbow Beach tot en met Town of 1770

Hey daar, welkom terug!
Terwijl ik nog aan het bijkomen ben van een fantastische activiteit zojuist en een hevige verkoudheid, leek het me weer een goed moment om het woord tot mijn familie en vrienden thuis te richten. Immers, er is inmiddels al weer een heleboel gebeurd, de zojuist gedane activiteit niet de minste. Wat die activiteit was? Tja, daarvoor zul je eerst de rest van de onzin moeten lezen. Want hoewel mijn schrijven zelden logisch is, het is op zijn minst chronologisch.

Rainbow Beach
Ik heb 3 dagen in Rainbow Beach doorgebracht, hetgeen mij volleerd maakt wat betreft het bruisende central business district van dit dorp met amper 1000 inwoners. Er is weinig te beleven, om een understatement te gebruiken. Dat de plaats toch populair is bij backpackers is dan ook voornamelijk omdat veel van hen vanuit Rainbow Beach naar Fraser Island gaan. Voor anderen (zoals ik, die vanuit Hervey Bay naar het eiland gaat), is er het mooie strand en het uiterst gezellige hostel ‘Dingos’ waar ik verbleef.

Vlakbij het dorpje bevindt zich de Carlo Sandblow; een hoop zand groter dan wat half Duitsland jaarlijks op de Nederlandse stranden weg schept. Deze duin biedt een uiterst rustgevend uitzicht over de dorpjes Rainbow Beach en Tin Can Bay en het bekijken van de zonsondergang was op mijn eerste (en heldere) dag zeker geen straf.

In het hostel waren de drie hoofdactiviteiten eten, drinken en pool spelen. Voor een schamele 4 dollars kon er elke dag een prima maaltijd (aan)geschaft worden en de bar hanteerde schappelijke prijzen. Het is hier dat Daniel en ik een pool-fotosessie zijn begonnen om het zo belangrijke aspect van ons reizen voor nageslacht en andere geïnteresseerden vast te leggen. We bemerkten zowaar verbetering in ons spel; ongetwijfeld de druk van toekijkend vaderland.

Fraser Island
Fraser Island is het grootste zandeiland ter wereld, op de World Heritage List, zoals zoveel dingen in Australië. De Aborigines noemden het al ‘paradijs’ en vele bezoekers sindsdien konden het niet beter uitdrukken. Het eiland is qua oppervlakte ongeveer een tiende van Nederland en het bevat meer zand dan de Sahara. Het is echter veel meer dan alleen een grote ground zero van een door nijdige extremisten opgeblazen zandkasteel. In al dat zand groeien grote bossen regenwoud en zijn er zoetwatermeren met kristalhelder water. Visualiseer hierin wat heilige Aboriginalrotsen (die lui verklaren werkelijk elke steen heilig), een paar roestige scheepswrakken en een meute wildlife en je krijgt een beeld van Fraser Island.

In mijn hostel in Hervey Bay kwam ik om kwart voor 6 ’s ochtends hevig vermoeid mijn bed uitrollen, onder een strakblauwe lucht. De briefing voor de self-drive safari zou in een half uurtje beginnen en ik zou de mede-backpackers ontmoeten met wie ik de komende drie dagen in een 4×4 jeep over het eiland zou crossen.
Gedurende de briefing werden de 17 aanwezigen verdeeld over twee auto’s en kregen we uitgebreide instructies over het reduceren van de impact op het fragiele ecosysteem aldaar en wat te doen om niet door de abundante Dingos (wilde honden) partieel te worden geconsumeerd.
Na de briefing werden we in twee auto’s gegooid (mijn groep 9 groot, de andere 8), werd alle kampeermaterieel en bagage nagestuwd en werd het geheel overgoten met een aanzienlijke hoeveelheid alcoholhoudende drank, die ons op onze noeste survival experience warm zou moeten houden.

Mijn groep bestond uit Richard (Engels), James (Engels), Alex (Engels), Clive (Engels), Karl (Frans van Zweedse origine), Ulf (Noors), Elizabeth (Duits-Italiaans), Jasmin (Duits-Zwitsers) en ik. In de andere groep zaten een Iers koppel, een Schots koppel, een Duitse kerel, een Engelse kerel, een Nederlandse meid en een reserve-Ier.
Speciale vermeldingen hier verdienen:
Richard, een aardige Harry Potter look-alike met wie ik nog wat tijd zou doorbrengen in Town of 1770.
James, een bijzonder relaxte, stil-doch-grappige kerel die zijn verjaardag vierde op de derde dag.
Clive, een 34-jarige grijzende, hyperactieve sportinstructeur met twijfelachtige geaardheid die, zodra je door de dikke adhd-laag heen prikte, een uiterst aangename kerel bleek. Zijn verleden als chef kok maakte hem tot een waardevolle aanwinst. Dit kon van zijn rijkunsten niet gezegd worden.
Wie beter kon rijden was Ulf, een 40-jarige (dat zou je niet zeggen) die ooit als ambulancechauffeur had gewerkt. Nu werkt hij in een onderzeeër, als elektricien bij booreilanden.

Na gezamenlijk proviand te hebben ingeslagen waren we op weg, met de veerboot, naar het beloofde paradijs. Dat de blauwe lucht inmiddels was getransformeerd in een donkergrijze wolkenmassa, met de daarbij behorende temperatuurdaling, mocht op dat moment de pret nog niet drukken.

Op het eiland wonen enkele mensen in enkele piepkleine dorpjes. Slechts één stukje is geasfalteerd en dat ik waar de ferry aankomt. Daarna is het dus snel in 4 wheel drive en over het zand. Dit klinkt allemaal heel smooth, maar in werkelijkheid is het een rit waar een stuiterbal een puntje aan kan zuigen. Het is dan ook niet zeldzaam dat er een auto omvalt of op een andere manier gruwelijk crasht, met alle gevolgen van dien.
Na het eiland in breedte te hebben doorkruist (da’s slechts 15 km, de lengte is 120 km), kwamen we aan op het strand (‘de snelweg’), waar het harde zand (gedurende het juiste tij) het rijcomfort veraangenaamd, hoewel verborgen plotse hobbels en zeeriviertjes hier snel roet in het eten kunnen gooien.
Aangekomen aan het strand moesten we een tijdje wachten op eb, dus verlieten we het geschudde blik als ware we cola. Daar stonden we, uitkijkend over een woeste zee onder grauwe, dreigende lucht en bittere, bittere kou.
Toen de zee zich ver genoeg had teruggetrokken reden we langs de kust naar attracties als The Pinnacles (gekleurde rotsen), Eli Creek (een riviertje tussen een meer en de zee) en het Maheno scheepswrak, totdat het tijd was om het kamp op te zetten, aan het strand. Dit gebeurde nog net voordat de motregen zijn mot verloor voor de rest van de nacht.

De warme barbecue van de avond smaakte goed en na afloop werd er intensief gedronken in de hoop enige warmbloedigheid te behouden. Mijn uiterst modieuze outfit bestond op dat moment (en gedurende de rest van de safari) uit een witte lange broek die niet langer wit was, een t-shirt, bedekt met een long-sleeve, bedekt met een nieuwgekochte dikke trui en twee paar sokken in mijn teenslippers. Het was nog steeds koud. Dit werd er niet beter op toen ik ’s nachts wakker werd en tot mijn grote verontwaardiging opmerkte dat mijn uiterst dunne slaapmatje zekere ongecontroleerde waterbedeigenschappen etaleerde. Het zal niet verbazen dat de nacht in kwestie (later beschreven als de koudste in Queensland in 30 jaar tijd) er een was met weinig slaap.

De volgende dag was de regen gestopt, maar de wolken nog steeds ongenadig in de lucht. Zodra mijn trui met behulp van de ventilators in de auto weer droog was trok ik hem weer snel aan voor dag twee op Fraser Island.
We reden naar Indian Head; een prachtige lookout vanaf waar niet alleen een stuk van het eiland overzien kan worden, maar waar een blik op de woeste oceaan wordt bespikkeld met dolfijnen, haaien en manta rays (soms ook walvissen, maar daarvoor was het nog net te vroeg). Het uitzicht was prachtig en moet onvoorstelbaar zijn op een zonnige dag.
Vervolgens naar de Champagne pools; een natuurlijk zwembad in de rotsen die bij inkomend tij wordt gevuld met champagneachtige trekjes.

Het kamp werd ’s avonds opgezet in een officiële camping, alwaar wij de luxe hadden van een heus toilet, maar voornamelijk de beschutting van begroeiing tegen de koude wind. Normaal gesproken worden backpackers niet zondermeer toegelaten op deze familiecampings, maar omdat de Ranger had gezien hoe koud we het voorheen hadden gehad, liet ze ons bij uitzondering toe.
De pot schafte een meer dan uitstekende pasta. Nadien werd er als gebruikelijk gedronken. Eerst gezellig, als voorheen, maar later op de avond verslechterde de sfeer. Eén van de Engelse in mijn groep werd nogal agressiefachtig irritant dronken en een paar Ieren uit de omgeving niet veel anders. De meesten van ons gingen dan ook nog voor middernacht de tent in voor een droge, doch koude nacht.

De volgende morgen werden we vroeg gewekt door de Ranger, wiens glimlach op drastisch dieet was sinds de avond ervoor. Het was kennelijk nogal een puinhoop van lege bierblikjes en een vuilniszak, die allen in de auto hadden moeten liggen ter bescherming van het wildlife. De camping was dan wel afgeschermd van de Dingo’s, maar de kraaien zijn er bijna net zo groot en hadden ’s nachts volleybal gespeeld met de vuilniszak.
Al onze paspoortdetails werden overgenomen om aan een boete te koppelen van 275 dollar per persoon. Niet fijn wakker worden dus. Enige tijd later kwam de Ranger terug en reduceerde ze de totale som van 17 maal 275 naar 1 maal 275, als er iemand nobel genoeg was om de boete op zich te nemen en het bedrag van 16 dollar per persoon van iedereen terug te krijgen. Een periode van stompzinnig naar elkaar staren volgde. De hoofdverantwoordelijken beweerden geen geldige legitimatie bij zich te hebben, dus geen van hen kon de boete op zich nemen. Om te voorkomen dat iedereen de boete alsnog individueel zou krijgen heb ik me dan maar aangeboden, om vervolgens van iedereen de centen te innen. Tot mijn grote genoegen en verbazing heeft iedereen netjes betaald.

Het boete(k)leed achter ons gelaten gingen we vol goede moed weer op pad. Het was nog steeds bewolkt, maar hier en daar verscheen een blauwe vlek. ’s Nachts had ik zelfs een ster kunnen ontwaren; een schouwspel dat spontaan een vreugdedans instigeerde, hoewel de wijn hierin een katalyserende werking had die niet onderschat dient te worden.
We reden terug naar het Zuiden, om een bezoekje te brengen aan een tweetal meren. Het eerste was Lake Wabby, die na een mooie wandeling over een reusachtige zandmassa werd bereikt. Op dit moment kwam zelfs de zon even door, waardoor het anderzijds prachtige Lake Wabby plots onbeschrijflijk werd. Een diep groen, hevig reflecterend water waar je de grote cat fish in kunt zien zwemmen. Het regenwoud enerzijds en het zand anderzijds geeft een mooi contrast dat later vanuit een lookout Point nog beter te zien was.
Het tweede meer was Lake McKenzie, waarschijnlijk het bekendste meer op het eiland. Het water in dit meer is helder als drinkwater in het ondiepe stuk en diepblauw in het diepere deel. Helaas hadden de wolken de zon alweer verstoten, zodat het beeld slechts prachtig was. Ondanks de kou zwom menigeen toch in het warmere water.

Na de meren aten we ons laatste eten op, (tegen alle traditie in hadden we niet te veel eten gekocht, maar net iets te weinig tot net goed), alvorens snel terug te rijden om de boot niet te missen. Dat rijden is overigens erg leuk. Ik was één van de vijf chauffeurs in onze auto en half driftend door het diepe zand glijden is een aangename sensatie. Over het algemeen ging het erg goed, op die ene bult op Clive’s hoofd na dan (verborgen hobbeltje).

Na terugkomst konden we eindelijk uit de vieze kleren en onder de douche. Helaas voor mij bleek het warme water op te zijn. Precies wat je nodig hebt na drie koude, natte dagen; een koude, natte douche…
Toen we allemaal weer schoon waren gingen enkele van ons nog gezamenlijk een hapje eten, alvorens voor wat kwaliteitsnachtrust in bed te kruipen. Het was, ondanks alle tegenslag, toch een mooie ervaring. Helaas geen Dingos gezien, die bleven voor het slechte weer ook liever thuis…

Town of 1770/Agnes Water
Herenigd met Daniel (hij was dezelfde dagen op het eiland, maar via een ander hostel) kwam ik vervolgend aan in Town of 1770, ofwel Agnes Water. Dit zijn eigenlijk twee dorpjes, maar waar de grens ligt lijkt niemand precies te weten. Het is klein, erg klein. Officieel heeft Agnes Water zo’n 2000 inwoners en Town of 1770 slechts 80. Vanaf nu zal ik doen wat iedereen doet en de namen door elkaar gebruiken.
Het is een vriendelijk plaatsje zo’n beetje aan het begin van het Great Barrier Reef. Dit maakt het tot het laatste strand waar nog fatsoenlijk gesurft kan worden, een activiteit waar ik tegen alle planning in niet aan toe ben gekomen in dit dorp.

Town of 1770 kent drie hostels, waarvan ik in twee heb verbleven. Beide zijn magnifiek. De eerste twee nachten verbleven we in Southern Cross, een gloednieuw hostel met geinige hutjes waar de met slechts drie mensen in slaapt. Da’s dus een derde badkamer per persoon!
Voorzien van twee soorten pool, (zowel zwem als biljart), en een uitgebreide dvd collectie hoef je je niet te vervelen, ondanks de ongunstige ligging; een stuk buiten het dorp. De twee dagen aldaar waren dan ook van onthaasten en bijkomen van het Fraser avontuur.

Het grootste en bekendste hostel is Cool Bananas en omdat veel van onze bekenden daar logeerden, verhuisden we later naar daar. Hoewel dit hostel geen van beide poolmogelijkheden biedt, wordt dat goed gemaakt door een fantastische sfeer en professioneel bereide maaltijden voor 5 dollar, elke avond. Er zijn een heleboel gave activiteiten en ze zijn allemaal spotgoedkoop (relatief dan).

Dag één was er één die begon met van verhuizen en wassen. Vervolgens het lokale museumpje bezocht om sportief af te sluiten met frisbeeën op het strand. Deze laatste activiteit bezorgde Daniel en ik zowaar lichte spierpijn de dag erna, hetgeen wel iets zegt over de sportieve inspanningen gedurende het reizen (ik krijg echt niet zoveel lichaamsbeweging als sommige ondeugende commentaren insinueren). Het was dan wel Extreme Outdoor Power frisbeeën, maar spierpijn…
De dag werd afgesloten met het spelen van een geslaagd potje Kings met oude en nieuwe vrienden. Ik heb een aantal geweldige nieuwe regels, die ik na terugkomst zal introduceren.

Dag twee was er één van onafgebroken regen. Een uitzondering, daar de winters doorgaans droog zijn in een toch al zware droogte. De lokale bevolking danste dan ook naakt door de straten, terwijl de backpackers uit verveling reeds na de lunch begonnen met hun drinkspelletjes.
’s Avonds vertrok Daniel. Hij heeft wat minder tijd dan ik en slaat daarom een paar plaatsjes over die ik wel aandoe. We speelden nog een paar afsluitende potjes pool, haalden wat herinneringen op en zeiden met tegenzin vaarwel. Hij was een fijne reispartner en hij zal gemist worden…

Dag drie ben ik gaan motorrijden op een heuse Harley-achtige. Met een kleine veertig man in lijn een mooie tocht gemaakt door de heuvelachtige, bekangoeroede omgeving en de mooie kustlijn, afgesloten met een prachtige zonsondergang.
De motoren reden heel gemakkelijk, waren automatisch geschakeld (als dit al aan de orde was) en begrensd op 70 km/h. Een motorrijbewijs was dan ook niet nodig. Toch heel anders rijden dan mijn oude Puch of een scooter en daarmee een bijzonder leuke activiteit. De prijs: 39 dollar voor drie uur rijplezier, wat natuurlijk een koopje is.
Het viel me tijdens het motorrijden trouwens op dat ik inmiddels volledig gewend ben aan het links rijden. Dat wordt dus wel weer even wennen als ik in Oktober terug kom…
Na de motortocht werden we getrakteerd op een sfeervolle stroomstoring, die maar liefst tien uren zou aanhouden. Op zich geen probleem, daar ik vroeg het bed opzocht in een poging mijn aankomende verkoudheid te slim af te zijn. Dat bleek vergeefse moeite…

Dag vier (zojuist), hier komt ie dan: vliegen! Ik heb net een scenic stunt flight gehad. Een vlucht over de prachtige waterlanden hier, met een aantal g-krachtrijke roll-overs en snoekduiken. Ik begon voorin, als co-piloot en heb daadwerkelijk ook zelf een stukje gevlogen. Erg gaaf.
We maakten een landing op een afgelegen strand, slechts bereikbaar per vliegtuig of boot, waar een paar locals zandwormen aan het verzamelen waren om als aas te gebruiken op zee. Deze zandwormen zijn tot een aantal meter lang, verbazend genoeg. Verder wat krabbetjes verzameld en een oester gegeten die de piloot daar plukte.
Na de tweede take-off (ik zat nu achterin) nogmaals een blik op de prachtige ondiepe wateren, tegen een strakblauwe lucht. Een paar dolfijnen zien zwemmen, net voordat de piloot weer in stuntmodus ging. Weer twee roll-overs en een snoekduik. Geloof me, geen achtbaan kan tippen aan de snelheid en kracht die hierbij kwamen kijken. Met name in de snoekduik knalde alles wat niet vast zat tegen het dak.
Hoewel ik normaal gesproken geen problemen heb met snelle attracties, voelde het nu toch wel alsof de zojuist geconsumeerde oester op zoek was naar een nieuwe schelp. Gelukkig landden we korte tijd later, in het bezit van stapels foto’s en filmpjes van een fantastische vlucht. De prijs: 65 dollar voor 2 uur vliegen en strandlopen. Geen slechte deal dacht ik zo.

Tot zover mijn avonturen voor nu. Over twee uur vertrek ik weer, verder naar het Noorden. Rockhampton wordt mijn volgende bestemming, waar ik voor morgen in ieder geval een bush/outbacktocht heb geboekt.
Jullie horen nog van mij! Tot die tijd heb ik weer wat nieuwe foto’s op de website weten te krijgen. Nogmaals; klik rechtsonder in de fotopagina op ‘details’, zodat je de namen van de foto’s te zien krijgt. Pak je toch even mooi dat extra stukje informatie mee!

One Response to “Reizen: Rainbow Beach tot en met Town of 1770”

  1. Barbara Says:

    Geweldig om je avonturen te lezen! Ik ben zelf ook bezig met het plannen van een reis down under en dat stuntvliegen in town of 1770 lijkt me wel wat. Lijkt me super! Heb je toevallig nog een website of een adres van waar je dat geboekt hebt?

    Thnx alvast!

Leave a Reply